Kantoren
Draagconstructies
Gevels
Wanden
Tools BmS
Hallen
Draagconstructies
Gevels
Wanden
Tools BmS
Woningen
Draagconstructies
Gevels
Wanden
Tools BmS
Hoogbouw
Draagconstructies
Gevels
Wanden
Tools BmS
Parkeergarages
Draagconstructies
Gevels
Wanden
Tools BmS

Actualiteiten

Norm bepaling vuurbelasting herzien

21 augustus 2017

NEN heeft de norm NEN 6090 ‘Bepaling van de vuurbelasting’ herzien. Deze norm is bedoeld voor het vaststellen van zowel de permanente als de variabele vuurbelasting van en in gebouwen.
De vorige normversie, uit 2006, was verouderd en bood door nieuwe ontwikkelingen niet meer voldoende informatie. Belangrijkste wijziging is dat de norm nu onderscheid maakt tussen permanente vuurbelasting en variabele vuurbelasting. Bovendien geeft de norm een methode voor de experimentele bepaling van de netto-verbrandingswaarde van materialen.

Indien wordt afgezien van deze bepaling kunnen ook de waarden worden gebruikt volgens de informatieve bijlagen B en C van deze norm. Bijlage B van de 2006-uitgave is vervangen. De nieuwe bijlage biedt kentallen voor het bepalen van de permanente belasting. In bijlage D is een voorbeeldberekening opgenomen van de permanente vuurbelasting van een kantoorgebouw. Hierbij wordt gemaakt van bijlage B. Verder is een bibliografie toegevoegd en de terminologie afgestemd op die van het Bouwbesluit 2012.

  • De norm is te bestellen in de online NEN Shop
  • Nadere tekst en uitleg over toepassing van de herziene norm is binnenkort te vinden in de oktobereditie van het vakblad Bouwen met Staal.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Zorgen voor inspectiecertificering brandmeldinstallaties

10 augustus 2017

Sinds januari 2015 zijn zorginstellingen verplicht om de brandmeldinstallatie in hun gebouw te voorzien van een inspectiecertificaat. Om de instellingen hiervoor voldoende tijd te gunnen, heeft de overheid de jaren 2015 en 2016 aangemerkt als overgangsjaren. Vorig jaar zijn de veiligheidsregio’s en gemeenten begonnen met handhaving. Hierbij is 31 december 2016 veelal aangehouden als de uiterste datum waarop de certificering geregeld dient te zijn.

Bij een meting op 8 november 2016 blijkt echter dat slechts 22% van de installaties met een certificaat is toegerust. Ondertussen ontvangen ActiZ (de landelijke organisatie voor zorgondernemers) en VGN (brancheorganisatie voor instellingen in de gehandicaptenzorg in ons land) veelvuldig zorgwekkende signalen van de aangesloten leden over de certificeringsprocedures. Deze procedures zouden de zorginstelling veel tijd en kosten vergen, zonder merkbare verbetering van de brandveiligheid.

Aanleiding voor de beide organisaties om de knelpunten en mogelijke oplossingen nader te laten onderzoeken. De onderzoeksresultaten zijn onlangs vastgelegd in dit rapport. Hierin heeft onderzoeksbureau Octaaf Advies de bevindingen opgetekend van in totaal 53 zorginstellingen.

Over het algemeen vinden de instellingen dat de manier waarop de inspectiecertificering wordt uitgevoerd onvoldoende aansluit bij de zorg en haar specifieke gebruikers. Ze stuiten op onvoldoende capaciteit bij inspectiebedrijven en een gebrekkige aanpak door onderhouds- en branddetectiebedrijven. Daarnaast constateren ze verschil in interpretatie van de eisen tussen de verschillende betrokken partijen. Ook wordt een peildatum voor de geldigheidsduur van het inspectiecertificaat gemist. Zelf erkennen de zorginstellingen dat ze vaak laat het initiatief tot certificering hebben genomen.

Inmiddels zijn ActiZ en VGN naar aanleiding van het onderzoek in gesprek met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), dat verantwoordelijk is voor de inspectiecertificeringen. Het CCV herkent de conclusies van het onderzoek en wil samen met de branches de knelpunten aanpakken. Het beraad heeft geresulteerd in een plan met de volgende acties:

  • het CCV bereidt een herzien inspectieschema voor, waarin duidelijker wordt aangegeven welke punten worden geïnspecteerd en wat het criterium is waaraan elk punt moet voldoen. Hierbij komt de nadruk te liggen op de mogelijkheden voor gelijkwaardige oplossingen;
  • de frequentie van inspecties zou in sommige gevallen omlaag kunnen. Zo zijn gebouwen van minder dan 1.000 m2 nu nog jaarlijks inspectieplichtig. Dat kan overgaan naar één keer per drie jaar, onder de voorwaarde dat alle brandveiligheidsvoorzieningen worden gecontroleerd in het onderhoudsrapport;
  • de zorgorganisaties en het CCV onderzoeken de mogelijkheden voor voorlichting van inspecteurs, gericht op risicogerichte inspecties in de zorg;
  • ActiZ en VGN, inspectiebedrijven, het CCV en bij voorkeur ook Brandweer Nederland verzorgen gezamenlijke bijeenkomsten voor zorginstellingen waarbij de onderwerpen inspectie en certificering uit de doeken worden gedaan;
  • CCV opent een meldpunt waar zorginstellingen hun reacties kwijt kunnen op verschillen van inzicht in de praktijk tussen onderhoudsbedrijven en inspectiecertificeringsbedrijven;
  • ActiZ en de VGN leggen contacten met Brandweer Nederland over de uitkomsten van het onderzoek, met het oog op de handhavingstaak van de brandweer.
  • ActiZ en de VGN brengen het onderzoeksrapport onder de aandacht van het zorgbrede programma ‘Naar een betere brandveiligheid in de zorg’, waarin ook het ministerie van VWS participeert.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Praktisch perspectief voor OBI

12 juli 2017

De afgelopen vijf jaar heeft de Brandweeracademie samen met Brandweer Nederland vier grote onderzoeken uitgevoerd naar technieken voor een offensieve buiteninzet (OBI). Een praktische samenvatting van de onderzoeksresultaten is nu gepubliceerd in ‘De offensieve buiteninzet: buiten gewoon?’ Op grond van de uitkomsten biedt het rapport tevens een ‘aanbevolen handelingsperspectief’, als steun voor repressief leidinggevenden van brandweerkorpsen bij hun afwegingen om al of niet voor een OBI te kiezen.

Het handelingsperspectief vormt een uitwerking van het kwadrantenmodel voor gebouwbrandbestrijding (Brandweeracademie, 2014). Dit model, een uitvloeisel van de brandweerdoctrine, ondersteunt de keuze van de bestrijdingstactiek bij brand in een gebouw. Het model presenteert vier tactieken: defensieve buiteninzet, offensieve binneninzet, defensieve binneninzet en offensieve buiteninzet. Het model geeft echter niet aan hoe een verkozen inzet in de praktijk kan worden toegepast en met welke middelen. Voor de defensieve buiteninzet en offensieve binneninzet is dat bijvoorbeeld niet onoverkomelijk; het zijn bekende, gangbare repressiemethoden.

Voor de offensieve buiteninzet is zo’n handelingsperspectief wel geboden. Dat is nu voor handen dankzij een OBI-project van Brandweeracademie en Brandweer Nederland waarbij praktijkonderzoek is gedaan naar de bruikbaarheid en effectiviteit van coldcutter, fognails en nevelkogel, hoge druk, lage druk, drukluchtschuim en repressieve ventilatie bij een OBI. Daarbij is steeds uitgegaan van een ventilatiegecontroleerde brand. De resultaten zijn per techniek vastgelegd in hoofdstuk 2 van het rapport.

Het eerste hoofdstuk biedt het handelingsperspectief zelf: een handig stroomschema dat aan de hand van een ‘ja of nee’ op belangrijke vragen als ‘Weet je waar de brand is op basis van een goede buitenverkenning?’ en ‘Bevinden zich met zekerheid slachtoffers binnen?’ al of niet resulteert in de aanbeveling om een OBI toe te passen.

Het schema leent zich voor branden in alle type gebouwen, met of zonder (potentiële) slachtoffers. Ricardo Weewer (Lector Brandweerkunde aan de Brandweeracademie): ‘Nieuw is dat het model ervan uitgaat dat in principe iedere gebouwbrand in eerste instantie van buiten wordt bestreden. Niet alleen vanwege de veiligheid, maar ook omwille van de snelheid en effectiviteit. Dat geldt zelfs in situaties met slachtoffers binnen.’

De onderzoeksresultaten hebben soms geleid tot wijziging van inzicht en bijstelling van de oorspronkelijke doelen voor de offensieve buiteninzet. Weever: ‘Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om de koeling. De plaats waar de inzet wordt gedaan, is van cruciaal belang voor het al dan niet slagen van de inzet’. De lector ontving het eerste exemplaar van het rapport afgelopen week uit handen van projectleider Rijk van den Dikkenberg (foto).

Aan het OBI-project is meegewerkt door de veiligheidsregio’s Amsterdam-Amstelland, Brabant-Noord, Brabant-Zuidoost, Groningen, Haaglanden, Midden- en West-Brabant, Noord-Holland Noord, Rotterdam-Rijnmond, Twente, Utrecht, Zaanstreek-Waterland en Zuid-Limburg, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en Troned Safety Campus.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Nieuw: eenduidige methode voor brandveilige staalconstructies met sprinklers

30 juni 2017

Het Bouwbesluit geeft de eisen voor de brandwerendheid van de (hoofd)draagconstructie van een gebouw. Die eis (het aantal minuten brandwerendheid tegen bezwijken) hangt af van de functie en de hoogte van het gebouw. Daarbij weegt de (voorgenomen) toepassing van een sprinklersysteem echter niet mee. Wie kiest voor een sprinklerinstallatie, doet een beroep op het gelijkwaardigheidsartikel 1.3 van het Bouwbesluit en legt de onderbouwing van de gelijkwaardige brandveiligheid, inclusief brandwerendheid van de constructie, voor aan het bevoegd gezag.

In veel praktijkgevallen wordt de toepassing van een sprinklersysteem gehonoreerd met een lagere brandwerendheidseis voor de draagconstructie. Dan wordt onderkend dat sprinklers bij brand de warmtebelasting op de constructie beperken, waardoor de constructie zonder (aanvullende) brandwerendheidsvoorzieningen lang genoeg in stand blijft. Maar in weer andere, vaak overeenkomstige cases blijft die beloning achterwege. In de Nederlandse projectpraktijk blijken zowel toetsers als adviseurs en andere projectpartners verschillend te denken over of, wanneer en onder welke voorwaarden zo’n reductie verantwoord is. Landelijke consensus is geboden.

Daarom introduceren Bouwen met Staal en de sectie Sprinklertechniek VEBON-NOVB de nieuwe richtlijn ‘Sprinklerinstallaties en brandwerendheid op bezwijken van staalconstructies’. De richtlijn biedt een even eenduidige als eenvoudige methode voor het bepalen van de brandwerendheidseis voor een stalen (hoofd)draagconstructie mét eventuele reductie van deze eis, als het gebouw is toegerust met een sprinklerinstallatie.

De richtlijn is bestemd voor nieuwbouw, waarbij de gevolgen van eventueel bezwijken van de constructie beperkt blijven. Dat zijn gebouwen in de gevolgklasse CC1 of CC2 van NEN-EN 1090. CC3-gebouwen (bijvoorbeeld grote openbare gebouwen of hoogbouw boven 70 m) en woningen vallen buiten het toepassingsgebied.

DGMR Bouw en Efectis Nederland hebben de richtlijn samengesteld. Daarbij heeft Brandweer Nederland medewerking verleend.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Brandveiligheid van veestallen nader geregeld in NEN 6060 en 6079

27 juni 2017

Speciaal voor de brandveiligheid van (grote) veestallen, krijgen de NEN 6060 en NEN 6079 binnenkort nieuwe bijlagen.

Met de NEN 6060 is vast te stellen of een groot compartiment voldoet aan de functionele eisen in het Bouwbesluit 2012 voor het voorkomen van branduitbreiding. Dat gebeurt op grond van de berekende vuurlast en de toepassing van een maatregelpakket, zoals een sprinklerinstallatie of een rook- en warmteafvoersysteem. Bij deze norm, gepubliceerd in 2015, komt een bijlage J met een methode voor de brandveiligheid van grote brandcompartimenten van een ‘lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren’. De bijlage is uitsluitend van toepassing op nieuwbouw. Net als de NEN 6060 maakt de bijlage gebruik van het gelijkwaardigheidsbeginsel in het Bouwbesluit (artikel 1.3).

NEN 6079 dateert van vorig jaar en geeft de bepalingsmethode voor grote compartimenten aan de hand van realistische brandscenario’s en met inzet van fysische modellen. Deze norm krijgt twee bijlagen: I en J. Bijlage I biedt de eigenlijke bepalingsmethode voor veestallen. Bijlage J levert de bijbehorende achtergrondinformatie, waaronder het schademodel, de uitgangspunten van de referentiestallen en voorbeelden van de werking van de bepalingsmethode.

Bij samenstelling van de bijlagen zijn de resultaten meegewogen van het ‘Onderzoek naar brandveiligheid voor dieren in veestallen – Knelpunten en verbetermogelijkheden’. Hierbij zijn Wageningen UR Livestock Research en het Instituut Fysieke Veiligheid nagegaan hoe ’t staat met de naleving van de brandveiligheidseisen voor stallen. Het onderzoeksrapport met aanbevelingen voor verbetering van de regelgeving is in november 2012 verschenen. Naast deze studie zijn ook de brandweerstatistieken van Brandweer Nederland geraadpleegd.

De bijlagen wordt gepubliceerd als wijzigingsblad op de bestaande normen. Maar eerst kunnen belanghebbenden hun op- en aanmerkingen op het ontwerp indienen via www.normontwerpen.nen.nl. Het commentaar dient uiterlijk 1 september a.s. binnen te zijn bij het NEN.

  • Voor inhoudelijke informatie: Marc Mergeay, Consultant Bouw & Installaties, tel. (015) 2 690 367 of e-mail bi@nen.nl.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

‘Oppassen dat we in Nederland niet dezelfde fouten maken’

16 juni 2017

De gevelbekleding lijkt een hoofdrol te hebben gespeeld in de verwoestende brand in de Grenfell Tower in Londen. We moeten oppassen dat we in Nederland niet dezelfde fouten maken in ons enthousiasme om energiebesparende gevels te maken. Dat stelt brandveiligheidsdeskundige Ralph Hamerlinck in een interview met redacteur Edo Beerda van de Cobouw. Het interview is 15 juni jl. in Cobouw gepubliceerd. De integrale weergave:

Kan dit in Nederland ook gebeuren?
‘Als in Londen was gebouwd volgens de regels, was dit niet gebeurd. Hetzelfde geldt voor Nederland. De geveldetaillering lijkt zodanig te zijn dat de brand zich snel kon uitbreiden naar boven. De gevelbeplating moet aan een bepaalde brandklasse voldoen, maar dat geldt voor de totale opbouw en detaillering, niet voor een onderdeel of alleen de bekleding.’

Kent u vergelijkbare gevallen in Nederland?
‘De brand in Prinsenhoftoren in Den Haag is wat het gedrag van de gevel betreft enigszins vergelijkbaar. Maar die leidde niet tot brandoverslag terug het gebouw in, zoals in Londen, want er zat een blinde gevel achter. Het lijkt erop dat in Londen een oorspronkelijk steenachtige gevel in verband met klimaateisen en energiebesparing voorzien is van een voorzetgevel met isolatiemateriaal en een spouw. Die combinatie kan dus desastreus zijn. In Nederland zijn we ook driftig bezig met energiebesparing. Ik sluit niet uit dat we in Nederland dezelfde denkfouten maken als in Engeland. We zijn niet beter dan anderen.’

Onze jacht op energiebesparing kan dus de veiligheid van gebouwgebruikers in gevaar brengen?
‘Ja. Als je een dergelijke gevel test zou je dat gevaar in een SBI-test moeten vinden. In Nederland moet je een brandklasse B halen voor deze hoogte. Dan móet je dus iets doen aan die spouw. Als die gesloten is en van zogenaamde ‘brandstops’ voorzien, zal de brand niet zo snel om zich heen grijpen als dat hier is gebeurd – ook als er brandbaar materiaal in zit.’

In de Engelse pers wordt gespeculeerd over een rol van de aluminiumcomposiet gevelpanelen. Die zouden in 2014 ook in Australië oorzaak zijn geweest van een grote brand.

‘Daar ken ik de details niet van, maar in principe hoeven sandwichpanelen geen gevaar op te leveren.’

Kunnen laboratoriumtest dit soort calamiteiten voorkomen?
‘Het verkleint de kans. Voorwaarde is dat je de gevel test in zijn eindopstelling. Ik ben ervan overtuigd dat deze gevel in een SBI-test zou hebben gefaald. Het is dus de vraag of hij in deze constellatie is getest. Je ziet vaak dat sandwichpanelen met brandbare materialen met vlag en wimpel door een brandtest komen bij een juist detaillering. Bevestigingsmethode, spouw en achterconstructie spelen uiteraard een rol, de plaatrand mag bij brand bijvoorbeeld niet te snel open gaan staan.

Sandwichpanelen zijn gewoonlijk een prima oplossing. Als je tussen de verdiepingen een goede brandstop maakt, zodat brand niet via de verdiepingen door kan groeien, dan kan branduitbreiding via de gevel worden voorkomen. Sandwichpanelen worden wereldwijd veel toegepast. Maar als je het isolatiemateriaal via een spouw vrij toegankelijk maakt voor vlammen, dan kan het in verticale opstelling desastreus uitpakken.’

Dat is hier gebeurd?
‘Het lijkt erop, maar ik weet het natuurlijk niet zeker. Net als bij soortgelijke calamiteiten lijkt er meer mis te zijn geweest. Het lijkt erop dat de vluchtroutes ook niet in orde waren. Als de brand alleen via de gevels omhoog gaat, zijn er zelden zoveel slachtoffers. Je kunt je ernstig afvragen of de vluchtroutes en de brandwerende bekleding van de schachten hier in orde waren en of doorvoeringen van de leidingen goed waren afgedicht.’

Hebt u vaker dit soort branden gezien?
‘In Sao Paolo in de jaren zeventig is zoiets wel eens voorgekomen. Afgrijselijk, daar zag je brandende slachtoffers van de toren naar beneden springen. Maar dit verwacht je natuurlijk niet nu in modern land als Engeland.’

Maar de gevelbekleding is de hoofdverdachte?
’Ja, maar het is natuurlijk wachten op nader onderzoek. Bij de faculteit Bouwkunde in Delft was het gevelmateriaal onbrandbaar beton, maar hoe snel is de brand daar niet overgeslagen? Aan de andere kant: overslag van raamopening naar raamopening is mogelijk, maar dan gaat het niet zo snel als in Londen. Als je de bewoners mag geloven was het beheer van het gebouw niet op orde. Schachten die uitkomen op woningen op verschillende verdiepingen kunnen ook voor een heel snelle branduitbreiding zorgen. Maar de gevel lijkt hier de hoofdverdachte.’

Denkt u dat deze calamiteit grote gevolgen krijgt voor de regelgeving?
‘Regelgeving wordt gemaakt op incidenten. Je kunt je afvragen hoeveel effect dat heeft. We hebben prima regelgeving – in Engeland ook. Maar die moeten we wel juist toepassen. Het toezicht moet goed zijn, de uitvoering ook. Op de bouwplaats hebben ze niet de tijd die deskundigen in een brandlaboratorium hebben. Daar krijg je te horen dat een gevelbekleding er vandaag tegenaan moet. Dat gaat dus niet altijd op dezelfde manier als in de tests.’

  • Bron: Cobouw, 15 juni 2017.
  • Foto: de Grenfell Tower op 14 juni 2017, ná de verwoestende brand. (foto: NOS).


• dr.ir. Ralph Hamerlinck is werkzaam als brandveiligheids- en technisch adviseur bij Bouwen met Staal en directeur van Adviesbureau Hamerlinck.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

‘Veiligheidsbewustzijn afvalverwerkers moet omhoog’

12 juni 2017

Het aantal branden bij afval- en recyclingbedrijven en de schadelast die hierbij ontstaat, zijn buitensporig hoog. Dat vindt Richard Weurding, algemeen directeur van het Verbond van Verzekeraars. Volgens Weurding moeten eigenaren van afval- en recyclingbedrijven meer risicobewust worden. ‘Het is duidelijk dat het roer om moet.’

Uit de statistieken van miljoenenbranden die het Nivre bijhoudt voor het Verbond van Verzekeraas blijkt dat in de jaren 2013, 2014 en 2015 in totaal 13 grote branden bij afval- en recyclingbedrijven zijn geweest. De totale schade van deze branden bedraagt ruim 173 miljoen euro. Begin dit jaar deed ook de redactie van het tv-programma EenVandaag onderzoek naar het totaal aantal branden – groot én klein – in de afvalbranche in 2015 en 2016. Uit openbare bronnen (krantenartikelen, 112-meldingen en berichten op social media) diepte de redactie 27 branden in 2015 en 44 branden in 2016 op.

Vanwege het grote risico op brand is een aantal verzekeraars inmiddels gestopt met het verzekeren van deze bedrijven. Het grote aantal afvalbranden is niet alleen een probleem voor de bedrijven zelf, meent Weurding. Ook de omgeving heeft er last van, bijvoorbeeld doordat milieuschade ontstaat. ‘De veiligheid is in het geding. Niet alleen van het bedrijf, maar ook van werknemers, omwonenden en het milieu.’

Bovendien is bij deze branden vaak een langdurige inzet van brandweer en andere hulpverleningsdiensten nodig. Weurding pleit daarom voor strengere regelgeving waaraan de bedrijven moeten voldoen. ‘Op deze manier kunnen we niet verder. Het risicobewustzijn is nu onvoldoende. Dat moet echt omhoog.’

Ook veiligheidsexpert Jurjen Brughgraef is voorstander van strenge maatregelen en meer controle. Hij adviseert bedrijven op het gebied van brandpreventie en -repressie. Bedrijven in de afvalverwerking zijn volgens hem veel te laks met brandveiligheid. ‘Als het niet hoeft, dan hoeft ’t niet. Bovendien vinden bedrijven maatregelen te duur.’

De branden ontstaan vaak door oververhitting van de afvalberg (broei). Volgens Brughgraef is het daarom belangrijk de temperatuur goed in de gaten te houden. ‘Bijvoorbeeld door metingen middels infrarood of door metingen binnenin de afvalberg, dan kun je op tijd ingrijpen als de temperatuur te hoog wordt.’

De Vereniging Afvalbedrijven erkent dat het aantal branden omlaag moet. De brancheorganisatie vindt dat er meer aandacht moet zijn voor preventie en het nog beter scheiden van afvalstromen om broei te voorkomen.

  • EenVandaag maakte al in januari van dit jaar een item van de problematiek. De aflevering kunt u hier terugzien.
  • Foto: afvalbrand bij recyclebedrijf Ter Horst in Varsseveld, augustus 2015 (© GinoPress).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Brandveilig transformeren

30 mei 2017

De jaarlijkse BBN Studiedag is dit jaar op donderdag 23 november bij de Metaalunie in Nieuwegein. De alweer twaalfde editie van het evenement luistert naar het thema ‘Brandveilig transformeren’.

Transformeren is het omvormen van het gebouw voor een andere functie, bijvoorbeeld via herindeling, verbouwing of renovatie. Bekend zijn de veranderingen van een kantoorfunctie naar een woonfunctie, maar ook het omzetten van een woonzorgcomplex naar een appartementencomplex óf omgekeerd, zijn voorbeelden van transformeren. Centrale vraag hierbij: hoe stem je het niveau van de bouwkundige brandveiligheid af op de brandveiligheidsrisico’s bij de nieuwe gebouwfunctie? Zo heb je bij de transformatie van een kantoor- naar een woonfunctie – ofwel van een niet-slaapgebouw naar een slaapgebouw – doorgaans van doen met strengere brandveiligheidseisen.

Antwoorden op deze veelomvattende vraag komen tijdens de Studiedag naar voren in zes dagvullende, interactieve workshops. Onderwerpen van de workshops zijn: brandwerende deuren en brandwerend glas, brandwerende doorvoeringen, impregneermiddelen, platen, blokken, isolatiematerialen en bescherming constructies, rookwarmteafvoer en brandvertraging.

De Studiedag wordt ingeluid met een terugblik op 25 jaar BBN en wat er in dat kwart eeuw zoal is bereikt. Daartoe behoort de inmiddels 12e editie van de Essentiële bouwkundige controlepunten dat aan het einde van het programma officieel wordt uitgereikt.

  • Meer informatie, programma en aanmelden.
  • Foto’s: transformatie voormalig kantoorgebouw Shell (Toren Overhoeks) naar multifunctioneel gebouw met o.m. hotel, discotheek en woningen (A’DAM toren) (Claus en Van Wageningen Architecten).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Ontwerp-norm voor sprinklerinstallaties voor commentaar

19 mei 2017

Nog tot 1 augustus a.s. kunt u commentaar leveren op het ontwerp van NEN 1073. Deze norm dient als aanvulling op de (eveneens in het Nederlandse vertaalde) Europese norm NEN-EN 12845 voor ontwerp, installatie en onderhoud van automatische sprinklerinstallaties. De NEN-EN 12845 bevat de basiseisen, de NEN 1073 levert de aanvullende eisen.

Het normontwerp voorziet in de herziening van de bestaande NEN 1073 uit 2010. Voornaamste aanleiding voor de revisie vormt de publicatie, in 2015, van de nieuwe NEN-EN 12845.

Bij de herziening heeft de Normcommissie Blusinstallaties van het NEN nauw samengewerkt met het Deskundigenpanel van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Dit heeft geresulteerd in opname van een groot aantal besluiten en interpretaties van het deskundigenpanel in het normontwerp. Ook zijn NTA 8073-1 ‘Bepaling van middellijnen van armpijpen bij grote doorstroomhoeveelheden’ en NTA 8073-2 ‘Eisen voor toepassing van thermoplastische spanplafonds in gesprinklerde gebouwen’ opgenomen. Deze beide richtsnoeren dateren van 2011.

Het is de bedoeling dat NEN-EN 12845:2015 en de vernieuwde NEN 1073 straks een hecht duo vormen, zoals 12845:2009 en 1073:2010 dat waren. Daarom heeft het NEN de nieuwe Europese norm en het aanvullende Nederlands norm-ontwerp in één document gevoegd voor becommentariëring op www.normontwerpen.nen.nl. In het document zijn de NEN 1073 en de wijzigingen hierop herkenbaar aan geel gemarkeerde kaders.

  • Voor nadere inlichtingen over de norm en het normproces kunt u terecht bij ing. Marc Mergeay, Consultant Bouw & Installaties, telefoon (015) 2 690 367 of e-mail marc.mergeay@nen.nl.
  • Foto: Bavel Brandbeveiliging.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Brandveilig leven op de kaart

3 mei 2017

Het risico op brand in woningen is groot. Omgerekend loopt 1 op de 65 woningen kans op brand en die kans wordt alleen maar groter naarmate het aantal zelfstandig wonende, minder zelfredzame ouderen toeneemt. Reden genoeg voor het Team Brandveilig Leven van Brandweer Gelderland-Zuid om een handige Handelingskaart te lanceren.

De kaart (een digitale PDF) biedt bondige adviezen en tips voor brandpreventie en het handelen bij brand in de privésfeer. De Handelingskaart is ontwikkeld in nauwe samenwerking met gemeenten, GGD en ZZG Zorggroep. Deze instelling had behoefte aan een praktisch hulpmiddel waarmee wijkverpleegkundigen hun cliënten, dikwijls thuiswonende senioren, gericht kunnen informeren over de brandveiligheid in huis.

Dat was een uitkomst voor de brandweer. In tegenstelling tot de voorlichter van de brandweer komt de wijkverpleegkundige immers geregeld bij senioren over de vloer en is goed in staat om de informatie duidelijk op de cliënt over te brengen. De aanbevelingen op de kaart zijn toegespitst op personen die een beginnende brand niet goed en op tijd kunnen signaleren en minder goed zelfstandig kunnen vluchten bij brand. Wat zij dan wel dienen te doen, staat op de kaart.

De eerste handelingskaart is 5 april jl. door Theo van Dodewaard van Team Brandveilig Leven aan Martine Heerkens, beleidsadviseur bij ZZG Zorggroep. ZZG heeft de kaart inmiddels in gebruik. Ook ’s Heeren Loo, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, wil de kaart gaan inzetten. Uiteraard worden nog meer zorgorganisaties benaderd.

De handelingskaart is een uitvloeisel van het mini-congres Samenwerken aan Brandveilig Leven’ dat het Team Brandveilig Leven in januari van dit jaar heeft georganiseerd. Tijdens dit congres is het netwerk rond verminderd zelfredzamen in kaart gebracht en gezocht naar mogelijke samenwerking tussen de verschillende partijen binnen dit netwerk.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Roken en koken belangrijkste oorzaken fatale woningbranden 2016

24 april 2017

In 2016 vonden in totaal 33 fatale woningbranden plaats, waarbij in totaal 38 dodelijke slachtoffers vielen. Dat blijkt uit onderzoek van de Brandweeracademie. Over 2015 tekende de Brandweeracademie 27 fatale woningbranden op, met 31 doden. De stijging ten opzichte van 2015 past volgens de onderzoekers binnen het gangbare, fluctuerende beeld van het aantal branden in woningen en de dodelijke slachtoffers hierbij. De Brandweeracademie voert het onderzoek jaarlijks uit, met medewerking van brandweerkorpsen en brandonderzoekteams.

Naast de 33 branden met 38 doden vonden in het afgelopen jaar ook nog zes branden met in totaal zeven doden plaats die het gevolg waren van (zelf)doding. Deze branden zijn niet verder door de Brandweeracademie geanalyseerd. Het onderzoek beperkt zich tot de oorzaken, omstandigheden en het verloop van fatale woningbranden die niet met opzet zijn veroorzaakt.

De belangrijkste brandoorzaken in 2016 waren roken (19%), onvoorzichtigheid bij koken (9%) en andere vormen van menselijk handelen (9%). Deze cijfers zijn in lijn met die van voorgaande jaren.

Bij de meeste branden was, bij aankomst van de brandweer ter plaatse, sprake van een relatief kleine (47%) of gesmoorde (25%) brand met een beperkte rookverspreiding. De brand en rook bleef doorgaans beperkt tot de ruimte waar de brand was ontstaan. Het aantal gesmoorde branden is hoger dan in 2015 (15% van het jaartotaal). Dat komt waarschijnlijk omdat brandweerkorpsen voor 2016 voor het eerst is gevraagd om meldingen van gesmoorde branden door te geven.

Naast brandweerkorpsen leveren ook brandonderzoeksteams gegevens over fatale woningbranden aan. Naast het invullen van vragenlijsten worden ze gevraagd te reageren op berichten uit regionale of lokale media over een plaatselijke brand. Hierdoor worden tevens branden geregistreerd die niet aan de brandweer zijn gemeld of waarbij de brandweer geen actie heeft kunnen ondernemen, bijvoorbeeld omdat de brand al snel na het ontstaan is gedoofd.

‘Branden waarbij dodelijke slachtoffers vallen hebben een enorme impact’, zegt voorzitter Stephan Wevers van Brandweer Nederland in een reactie op publicatie van jaarcijfers. ‘Voor de directe omgeving, en ook voor onze eigen mensen. Juist dan besef je maar weer eens hoe zwaar ons vak is, vooral als we geconfronteerd worden met branden met dodelijke afloop. Naast deze fatale cijfers zijn er ook nog eens honderden situaties die zware verwondingen en ander leed laten zien. De meeste woningbranden worden nog steeds veroorzaakt door menselijk handelen. Dat is ook de reden dat wij naast ons operationele optreden ook stevig in blijven zetten op voorlichting en preventie.’

Het meerjarenonderzoek van de Brandweeracademie geeft daarvoor de nodige handvatten, dankzij antwoorden op vragen over de precieze locatie van de slachtoffers ten opzichte van de brandhaard, de stand van binnendeuren en de aanwezigheid, projectering en werking van rookmelders in de woningen.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Trends en ontwikkelingen in brandveiligheid

11 april 2017

‘Trends en ontwikkelingen in brandveiligheid’ luidt het thema van het seminar 2017 van VBE (Verenigde Brandveiligheid Experts) op woensdagmiddag 14 juni a.s. Die middag stelt IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) haar accommodatie aan de Kemperbergerweg in Arnhem ter beschikking voor een leerrijk lezingenprogramma, onder aanvoering van dagvoorzitter Wim Haan.

Nog niet alle sprekers zijn vastgelegd, maar het seminar belooft nu al optredens van René Hagen (Lector Brandpreventie, IFV), Ruud van Herpen (Fellow FSE, TU Eindhoven Building Fysics and Services), Ralph Hamerlinck (brandveiligheidsadviseur, Bouwen met Staal) en trendwatcher Richard van Hooijdonk.

De inleidingen gaan vergezeld van een informatiemarkt met exposities van bedrijven en instellingen in brandveiligheid. Na afloop kunt u desgewenst aanschuiven bij het diner.

Het complete programma wordt binnenkort bekend gemaakt op de VBE-event website. Op deze site kunt u zich al aanmelden voor deelname.

  • Foto: Droomhome.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Koolmonoxidemelder op z'n plek

3 april 2017

Waar hoort een CO-melder eigenlijk te hangen? Op die vraag is nu een betrouwbaar antwoord te geven aan de hand van de uitkomsten van recent onderzoek van de Brandweeracademie. Onduidelijkheden over de beste locatie voor de koolmonoxidemelder en de verschillende adviezen hierover vormden voor Brandweer Nederland en de Nederlandse Brandwonden Stichting aanleiding tot nadere studie. De Brandweeracademie heeft de eerste onderzoeksfase afgerond.

Deze literatuurverkenning en -analyse brengt drie beschermingsniveaus naar voren. Het eerste niveau biedt primaire bescherming en bestaat uit CO-melders in alle ruimten waar zich een CO-bron bevindt of kán bevinden. Voorbeelden van deze ruimten zijn CV-installatiekasten, de ruimte waar een geiser of kachel is geïnstalleerd en ruimten waar de afvoer van rookgassen doorheen voert, bijvoorbeeld het schoorsteenkanaal.

Niveau twee voorziet in een betere bescherming. Op dit niveau zijn álle ruimten met daarin een potentiële CO-bron, met een melder toegerust. Bovendien zijn CO-melders in of nabij de slaapkamers aangebracht.

De beste bescherming geeft niveau 3. De maatregelen op niveau 2 zijn hier aangevuld met melders op elke verdieping en ruimten waar mensen geregeld dan wel voor langere tijd verblijven, zoals de woon- en de studeerkamer.

Het verslag van het ‘Onderzoek naar geadviseerde locatie voor CO-melders’ is hier gratis te downloaden.

Intussen is de CO-melder maar ook de CO2- en de rookmelder al ruimschoots doorgedrongen tot Nederlandse woningen, zo blijkt uit een actuele Smart Home Monitor. In bijna twee op de drie woningen zijn een of meerdere van deze melders aanwezig. Bij een op de vijf huishoudens zijn deze melders verbonden met het internet. Hierdoor kan de bewoner – ook als hij zich elders ophoudt – via zijn smartphone bericht ontvangen dat de melder thuis is afgegaan.

De Smart Home Monitor staat voor frequent online-onderzoek door Multiscope naar het bezit en gebruik van smart-home producten onder consumenten in ons land. Aan het onderzoek naar alarmeringsmelders hebben zo’n 6.000 huishoudens deelgenomen. Zo’n 60% van de respondenten geeft aan dat de (extra) veiligheid de voornaamste reden is voor aanschaf van een melder. Bijna vier op de tien hebben voor de melder een betaald (onderhouds)abonnement afgesloten.

  • Foto: Abelco.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Nationaal Congres Brandpreventie

28 maart 2017

Projectmanagers, bouwkundig adviseurs, architecten, constructeurs, medewerkers van installatiebedrijven en branddetectiebedrijven, verzekeraars, brandweermensen. Kortom, iedereen die beroepsmatig van doen heeft met de brandveiligheid van gebouwen reist op dinsdag 23 en woensdag 24 mei a.s. af naar Echteld voor het Nationaal Congres Brandpreventie.

De eerste congresdag staat in het teken van ‘bouwkundige brandpreventie’. Sprekers bij dit thema zijn onder meer Ralph Hamerlinck van Bouwen met Staal (over de huidige praktijk van S-FSE), Lieuwe de Witte van IFV (over praktijkonderzoek met behulp van FSE) en Emiel van Rossum van Brandpreventie Academy (over de recent gepubliceerde NEN 6079 voor het bepalen van de brandveiligheid van grote brandcompartimenten).

Brandbeveiligingsinstallaties vormen het thema van dag twee. Hierop wordt ingehaakt door onder meer Marcel Rademakers van Hertek en Maarten de Groot van Altavilla. Marcel Rademakers behandelt leerrijke praktijkvraagstukken over brandmeldinstallaties. Maarten de Groot geeft tekst en uitleg over de hogedrukwatermistinstallatie in het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven.


  • Wilt u warmlopen? Klik op het plaatje hierboven voor de videoreportage van een eerdere editie van het congres.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Internationaal seminar in teken van brandveiligheidseducatie

14 maart 2017

Verminderd zelfredzamen, de multiculturele samenleving, de jeugd, effectmetingen van gedragsverandering. Dat zijn de thema’s van het International Safety Education Seminar, 7 en 8 juni a.s. in Arnhem. Twee dagen lang is Hotel & Congrescentrum Papendal de ‘place to be’ voor brandweerfunctionarissen en vele andere betrokkenen bij een brandveilige samenleving.

Het seminar biedt alle gelegenheid kennis te vergaren over de mogelijkheden om via ‘safety education’ de vele verschillende deelnemers aan onze samenleving meer bewust te maken van risico’s op brand en hen te ondersteunen bij het brandveiliger maken van hun leefomgeving. Hiermee haakt het seminar aan bij de langlopende campagne ‘Brandveilig leven’ waarin de Nederlandse brandweer samen met instellingen, bedrijven en burgers werkt aan een betere brandveiligheid in de privésfeer en in private sectoren.

De organisatoren van het seminar – Brandweer Nederland, Instituut Fysieke Veiligheid en Nederlandse Brandwonden Stichting – hebben een gevarieerd collectief van sprekers uit binnen- en buitenland bereid gevonden om de uiteenlopende aspecten en activiteiten in safety education uit de doeken te doen. Aan het woord komen onder meer Lieuwe de Witte (Brandweeracademie) over recent onderzoek naar brandveiligheid in de privésfeer, Sander Cremers (Brandweer Brabant Zuid-Oost) over het nieuwe brandveiligheid-lesprogramma voor leerlingen van de basisschool, Veerle de Decker (Brandweer Antwerpen) over het Brand Informatie Centrum voor kinderen van 11–12 jaar, en David Bornebroek (Brandweer Twente) over de achtergronden en effecten van de campagne ‘Brandveilig leven’ en de Risk Factory. Het seminar staat onder voorzitterschap van Mike Hagen (European Fire Safety Alliance, Engeland).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Kennisgroep levert checklist brandwerende coating op staal

3 maart 2017

De Kennisgroep Brandwerende Coating introduceert de ‘Checklist voor de private kwaliteitsborging van brandwerende coating op staalconstructies'.

De checklist komt op het moment dat het voorstel voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen door de Tweede Kamer is geaccepteerd en voor behandeling doorgaat naar de Eerste Kamer. Hiermee is een belangrijke stap gezet op weg naar invoering – vanaf 2018 – van een nieuw stelsel voor de toetsing van de kwaliteit van bouwprocessen en de gebouwde eindresultaten door private partijen. De nieuwe checklist anticipeert hierop met heldere en eenduidige richtsnoeren voor het beoordelen van de kwaliteit van brandwerende coatings op staalconstructies.

De aandachtspunten zijn ingedeeld naar de fasen die straks ook gelden binnen het stelsel van private kwaliteitsborging: ontwerp/engineering, applicatie, oplevering en ingebruikname. Hieraan voegt de checklist nog twee belangrijke eindfasen toe: inspectie en onderhoud, en eigendom en beheer. In een apart stroomschema zijn alle procesfasen overzichtelijk samengevat, met daarbij de verantwoordelijkheden en taken van de verschillende betrokken disciplines (van voorschrijver en ontwerper tot en met fabrikant, applicateur, eigenaar/beheerder en toetser).

Door deze opzet en invulling is de checklist geschikt voor opname in het toetsingsinstrumentarium voor private kwaliteitsborging. Uiteraard leent de uitgave zich ook voor gebruik binnen het huidige stelsel van publieke toetsing en in een eventueel duaal, publiek-/privaat stelsel als opmaat naar de private kwaliteitsborging vanaf 2018.

Met de checklist wil de Kennisgroep Brandwerende Coatings bijdragen aan een brede en verantwoorde toepassing van brandwerende coatings op staalconstructies. In de verschillende fasen van de toepassing levert de checklist de benodigde kennis voor alle betrokken partijen.

Deze ‘schakels in de keten’ zijn dan ook in de Kennisgroep vertegenwoordigd: OGOS (Opdrachtgeversoverleg Staalconserveren), VVVF (branchevereniging voor de Nederlandse verf en drukinktindustrie), ION (Vereniging Industrieel Oppervlaktebehandelend Nederland), Zinkinfo Benelux (branchevereniging voor thermisch-verzinkerijen), Koninklijke Onderhoud NL (organisatie voor ondernemers in vastgoedonderhoud en metaalconservering), BBN (Brandveilig Bouwen Nederland) en de kennisorganisatie Bouwen met Staal.

Als vervolg op de checklist wil de Kennisgroep een model-garantiecontract opstellen en publiceren. In dit model worden de garanties omschreven op uitgevoerde werkzaamheden in de verschillende toepassingsfasen en de posities daarbij van opdrachtgevers en opdrachtnemers.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Certificatieschema Particuliere Alarmcentrales vernieuwd

24 februari 2017

Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) heeft versie 2.0 van het Certificatieschema voor Particuliere Alarmcentrales gepubliceerd. Hierin liggen de kwaliteitseisen vast voor Particuliere Alarmcentrales (PAC) voor wat betreft bedrijfsvoering, huisvesting, technische uitrusting, deskundigheid en betrouwbaarheid van het personeel en de dienstverlening. De eisen zijn gebaseerd op NEN-EN-ISO 17021-1:2015 ‘Conformiteitsbeoordeling - Eisen voor instellingen die audits en certificatie van managementsystemen leveren - Deel 1: Eisen’.

Aan de hand van het certificatieschema vindt de certificering van de centrale plaats. Certificering is nodig, alvorens het PAC een bedrijfsvergunning kan ontvangen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het schema wordt tevens ingezet bij de jaarlijkse beoordeling ná certificering. Een ander legitiem certificeringsinstrument is NEN-EN 50518 ‘Monitoring en Alarm ontvangstcentrales’. Deze norm uit 2016 geeft, verdeeld over drie normdelen, de locatie- en constructieve-eisen, de technische eisen en de eisen en procedures voor de werking van een PAC.

De nieuwe versie van het certificatieschema is afgestemd op de huidige relevante normen en richtlijnen. Voor de eisen uit de ISO 9001:2015 is een overgangsbepaling opgenomen. Verder zijn eisen voor de luchttoevoer toegevoegd en de termen AL1 en AL2 afgeschaft. De twee lijnen T2 en T5 sluiten aan bij de Europese normen en zijn hiermee de termen die in de praktijk gebezigd moeten worden.

Particuliere Alarmcentrales (PAC) zijn bedrijven die automatische alarmsignalen van zowel particulieren als bedrijven en instellingen binnenkrijgen en beoordelen. Daarna besluit het PAC tot de eventueel benodigde actie, zoals doorsturen van de melding naar de hulpdiensten (brandweer, politie, ambulance) of het sturen van surveillancewagens van de eigen bedrijfshulpverleningsdiensten.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Dit nooit meer…

6 februari 2017

Vlam in de pan staat op de tweede plaats van meest voorkomende oorzaken van woningbranden. Zo’n 23% van de branden in woningen is het gevolg van brand in de koeken- of frituurpan, zo blijkt uit recent onderzoek van Brandweeracademie en het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Daarbij is in 17% van de gevallen een dodelijk slachtoffer te betreuren. Domotect, een pas gestart technologiebedrijf, wil hieraan snel een halt toeroepen met de nieuwe Stovebug: een fornuisknop die een waarschuwingssignaal afgeeft als de pan te lang op het vuur staat.

‘Er bestaan al rookmelders en kookbeveiligers die alarmeren of het gas Daniel de stroomtoevoer afsluiten als ze rook detecteren.’, onderkent Dingco Geijtenbeek van Domotect. ‘Maar dan kan ‘t al vaak te laat zijn. Je doet pas echt aan brandpreventie als je de voorkomt dat de rookmelder afgaat’.

De Stovebug is een universele knop die op elke bestaande elektrische kookplaat of gasfornuis past. De aanschaf van een nieuw inductie-toestel met kooktijdbegrenzing kan achterwege blijven. De knop heeft sensoren die vaststellen of een kookpit is ingeschakeld en laten in de kleuren groen, oranje en rood weten wat de status van het kookproces is. Als een pan langer dan 25 minuten op het vuur staat, klinkt een waarschuwingssignaal. Hierdoor voorkomt de Stovebug dat een pan wordt vergeten, droog kookt en vlam vat.

De Stovebug is vooral een uitkomst voor de senior die nog thuis woont. ‘Ouderen kunnen minder snel vluchten of doen soms de verkeerde dingen om een keukenbrand te blussen.’, aldus Geijtenbeek. Zo anticipeert de nieuwe vinding op de toenemende vergrijzing en het groeiend aantal zelfstandig wonende ouderen in ons land.
De Stovebug is onlangs in Nederland op de markt gebracht. In de loop van dit jaar volgt de introductie in naburige Europese landen.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Webtool bepaalt brandwerendheidseisen nieuwe hallen

25 januari 2017

Brandveilige hallen – nieuwbouw is de nieuwe, gratis tool op deze website waarmee u stapsgewijs de eisen bepaalt voor de brandwerendheid van de (hoofd)draagconstructie, gevels, eventuele brandwanden en het instandhouden van vluchtroutes bij nieuwbouw van hallen. De tool is toepasbaar bij eenlaagse hallen met industrie-, bijeenkomst-, sport- of winkelfunctie, al of niet voorzien van een tussenvloer.

De tool bepaalt de eisen aan de hand van de antwoorden op vragen en het invullen van gegevens over bijvoorbeeld de ligging van de hoogste verblijfs-vloer, het gebruiksoppervlakte en de vuurbelasting. Een klik op het i-symbool bij een vraag of invoerveld levert nadere informatie over het betreffende on-derwerp.

De eisen worden bepaald op grond van het Bouwbesluit 2012 en (indien van toepassing) NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten’. Deze norm, vorig jaar gepubliceerd, geeft een methode voor het bepalen van de brandwerendheid van compartimenten die groter zijn dan het Bouwbesluit 2012 voorschrijft (grenswaarden-overschrijdend). Dit gebeurt op grond van de berekende vuurlast en de keuze van een maatregelpakket. De tool bepaalt voor elke specifieke hal of NEN 6060 toepasbaar is.

  • Naar de tool
  • Foto's: Elfstedenhal, Leeuwarden (GEAR; foto's: René de Wit).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Satelliet als speurneus

5 januari 2017

Satellieten die de Nederlandse brandweer helpen om gevaarlijke stoffen in de lucht tijdig te detecteren en de ernst en omvang van de emissies te bepalen. Over een paar jaar is dit praktische realiteit, als ’t ligt aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Instituut Fysieke Veiligheid, TU Delft en Brandweer Nederland. De vier organisaties starten deze maand een onderzoeksprogramma naar de mogelijkheden voor het gebruik van satellieten bij het opsporen en beoordelen van gevaarlijke stoffen.

Bij bijvoorbeeld een chemiebrand als in 2011 in Moerdijk zouden satellieten veel sneller hebben vastgesteld of de rookwolken giftige stoffen bevatten. ‘Op dit moment zijn de mogelijkheden om grootte en de inhoud van de uitstoot van gevaarlijke stoffen in de lucht te bepalen nog beperkt. Terwijl het juist bij grote incidenten van levensbelang kan zijn dat we deze meetgegevens snel en nauwkeurig hebben’, zegt Paul van Dooren van Brandweer Nederland. ‘Hoe eerder je lekkage van giftige stoffen, chemische vloeistoffen of kerncentrales waarneemt, hoe beter je de ramp kunt bestrijden en bijvoorbeeld evacuatieplannen kunt opzetten. Nu kun je een giftige gaswolk alleen op maaiveldniveau meten, straks hopelijk op tientallen meters hoogte’, stelt Van Dooren.

Het onderzoek maakt deel uit van het veelomvattende Innovatieprogramma Satelliettoepassingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (zie het nieuwsbericht van 7 december 2016, verder op deze pagina). De uitvoering van het onderzoek berust goeddeels bij studenten TU Delft. Paul van Dooren verwoordt de uitdaging hierbij: ‘We zijn nieuwsgierig of nauwkeurig kan worden bepaald waar de wolk zich bevindt, hoe de wolk zich verspreidt en wat de samenstelling is van de gevaarlijke stoffen. Als we dat kunnen, is dat een doorbraak waar de hele wereld van kan mee profiteren.’

Het onderzoek heeft in elk geval de interesse gewekt van het Department of Homeland Security in de Verenigde Staten. Het departement heeft zelfs hulp aangeboden. ‘Ze zijn zeer geïnteresseerd en willen hun steentje bijdragen’, aldus Van Dooren. ‘Het probleem speelt natuurlijk in de hele wereld en als wij er in slagen een sensor te ontwikkelen die op een satelliet kan worden bevestigd, dan hebben alle landen er wat aan. Satellieten draaien om de aarde en brengen dus veel meer in kaart dan alleen ons kikkerlandje.’

  • Foto: Chemiebrand in Moerdijk, januari 2011, foto: ANP, Valerie Kuypers.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Ontwerp vernieuwde norm bepaling vuurbelasting gepubliceerd

18 december 2016

NEN heeft begin december de NEN 6090 aangepast en deze herziene versie als normontwerp gepubliceerd. NEN 6090 geeft de richtsnoeren voor het bepalen van de vuurbelasting van en in bouwwerken.

De vernieuwde NEN 6090 dient als vervanger van de editie 2006 die door de recente ontwikkelingen is verouderd en te weinig informatie biedt. Voornaamste wijziging is het onderscheid tussen permanente en variabele vuurbelasting. De permanente vuurbelasting betreft alle constructieonderdelen van het gebouw. De variabele vuurbelasting heeft betrekking op de gebouwinventaris.

De informatieve bijlage B bij de NEN 6090:2006 vervangen door een nieuwe met kentallen voor het bepalen van de permanente vuurbelasting. In de informatieve bijlage D is een voorbeeld van de berekening van de permanente vuurbelasting van een kantoorgebouw opgenomen. Zo’n berekening heeft zeker zin. Kantoorgebouwen zijn gebouwd met onbrandbare materialen en ook de afbouw, inbouw (deuren, plafonds, verhoogde vloeren, behang) en het interieur zijn niet gemakkelijk brandbaar. De permanente vuurbelasting zal dan hoogstwaarschijnlijk lager zijn dan 500 MJ per m2 vloeroppervlakte, de grenswaarde van het Bouwbesluit 2012. Of dat zo is, valt aan te tonen met een vuurbelastingberekening. Als ‘t zo is, dan kan de eis voor de brandwerendheid van de draagconstructie met 30 minuten omlaag.

Bij de voorbeeldberekening in bijlage D is geput uit bijlage B. Ook is de nieuwe norm een bibliografie toegevoegd en zijn de termen en begrippen in overeenstemming gebracht met die van het Bouwbesluit 2012.

Behalve voor de vuurbelasting geeft de norm eveneens een methode voor het experimenteel bepalen van de netto-verbrandingswaarde van materialen. Als alternatief voor deze methode kunnen ook de netto-verbrandingswaarden in de bijlagen B en C worden gebruikt.

De vuurbelasting in een gebouw is de som van de hoeveelheid energie die vrijkomt bij een brand, als in het gebouw alle materialen tot volledige ontbranding komen, gerelateerd aan het vloeroppervlakte. Deze vuurbelasting per vierkantenmeter wordt uitgedrukt in equivalent vurenhout (kgVh/m2). De reden hiervan is dat 1 kilo vurenhout bij een volledige ontbranding in theorie 1 minuut brandt. Is de hoeveelheid vurenhout equivalent bepaald, dan is tevens bekend hoeveel minuten een materiaal van bijvoorbeeld de (hoofd)draagconstructie, een scheidingswand of een interieurelement brandt.

  • Op het normontwerp is tot 1 maart 2017 commentaar te geven via www.normontwerpen.nen.nl. Daar is het gehele normontwerp in te zien en per onderdeel van opmerkingen te voorzien.
  • De ontwerpnorm is ook al te bestellen in de NEN-webshop.
  • Foto: IME, Eindhoven.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Nederlandse brandweer omarmt satelliettechnologie

7 december 2016

Hoe groot is het risico op een natuurbrand? Die vraag is voor de brandweer lastig te beantwoorden, omdat de benodigde informatie over de vegetatie en de droogte van het gebied dikwijls onvolledig is en onvoldoende actueel. Daar komt binnenkort verandering in door een nieuw innovatietraject voor toepassing van satellietdata bij preventie en repressie van natuurbranden, geïnitieerd door het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Twee deelnemers in dit traject – Brandweer Nederland en IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) – gaven afgelopen dinsdag 22 november tijdens het innovatiecongres van Veiligheid en Justitie een toelichting op plannen voor inzet van satelliettechnologie bij preventie en repressie van natuurbranden.

‘Nu al zijn bedrijven in staat om ruwe data, verkregen uit satellieten, om te zetten in bruikbare kaarten en andere relevante middelen voor het beheersen van natuurbranden. Nederland is hiermee de eerste in Europa die dit gaan toepassen’, stelt Albert-Jan van Maren namens Brandweer Nederland. ‘En er heerst groot enthousiasme om de satellietdata van het bedrijfsleven en de brandveiligheidspraktijk met elkaar te verbinden’, voegt Esther Willemsen van het team Natuurbranden van het IFV toe.

‘Het innovatietraject luistert naar de naam ‘Small Business Innovation Research’ – kortweg SBIR. De eerste fase van het traject is al in december afgerond. We hebben nu satellietdata voorhanden om de samenstelling en droogte van vegetatie in kaart te brengen’, aldus Willemsen.

Beoogde uitkomst van SBIR is dat de brandweer via satellietdata effectief wordt ondersteund bij het voorkomen van het ontstaan van (onbeheersbare) natuurbranden, een snelle signalering van de brand en – als de brand onverhoopt toch ontstaat – bij het achteraf analyseren van de brandontwikkeling.

Het SBIR-traject maakt deel uit van een breed Innovatieprogramma Sateliettoepassingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Hiervoor heeft het departement samen met het Netherlands Space Office (NSO) in totaal € 400.000 vrijgemaakt. Naast natuurbrandpreventie en -repressie wordt binnen het programma onderzoek gedaan naar mogelijk gebruik van satellieten bij rampenbestrijding, crisisbeheersing en opsporing en vervolging. Bij deze studies zijn, behalve NSO, organisaties als het KNMI, TNO en het Netherlands Aerospace Centre betrokken. De politie gaat samen met de Inspectie Leefomgeving en Transport en het Nederlands Forensisch Instituut onderzoeken of satelliettechnologie kan helpen bij het opsporen van strafbare feiten bij bodemsaneringen en de vervolging van de ‘daders’.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Webtool bepaalt brandwerendheidseisen nieuwe hallen

22 november 2016

Bouwen met Staal introduceert Brandveilige hallen – nieuwbouw: een gratis tool op deze website waarmee u stapsgewijs de eisen bepaalt voor de brandwerendheid van de (hoofd)draagconstructie, gevels, eventuele brandwanden en het instandhouden van vluchtroutes bij nieuwbouw van hallen. De tool is toepasbaar bij eenlaagse hallen met industrie-, bijeenkomst-, sport- of winkelfunctie, al of niet voorzien van een tussenvloer.

De tool bepaalt de eisen aan de hand van de antwoorden op vragen en het invullen van gegevens over bijvoorbeeld de ligging van de hoogste verblijfs-vloer, het gebruiksoppervlakte en de vuurbelasting. Een klik op het i-symbool bij een vraag of invoerveld levert nadere informatie over het betreffende on-derwerp.

De eisen worden bepaald op grond van het Bouwbesluit 2012 en (indien van toepassing) NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten’. Deze norm, vorig jaar gepubliceerd, geeft een methode voor het bepalen van de brandwerendheid van compartimenten die groter zijn dan het Bouwbesluit 2012 voorschrijft (grenswaarden-overschrijdend). Dit gebeurt op grond van de berekende vuurlast en de keuze van een maatregelpakket. De tool bepaalt voor elke specifieke hal of NEN 6060 toepasbaar is.

  • Naar de tool
  • Foto's: outletstore Loods 5, Zaandam (Collo architecten; foto's: Kenza Bouw).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Richtlijn voor metalen ophangconstructies in overdekte zwembaden onder de loep

15 november 2016

NEN is 1 oktober jl. gestart met de evaluatie van NPR 9200 ‘Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in overdekte zwembaden’. Bij de publicatie in december 2015 was al aangekondigd dat deze praktijkrichtlijn na ongeveer een jaar zou worden geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt nagegaan of herziening van de NPR nodig is. Voor inspecties zou de NPR ook tot norm kunnen worden herschreven.

NPR 9200 is van toepassing op alle ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in overdekte zwembaden. Ze bevinden zich per definitie in een agressief milieu. De aanwezigheid van vocht, hoge temperaturen, chlorides en desinfecteerbijproducten in bepaalde ruimtes alsook de temperatuurschommelingen tasten ophangconstructies en bevestigingsmiddelen aan. Hierdoor is het risico op bezwijken van de ophangconstructies en bevestigingsmiddelen groot. Gevaarlijke situaties kunnen vooral ontstaan bij toepassing van niet-resistent roestvast staal.

Vanwege het risico is het Bouwbesluit al aangepast. Sinds 1 juli van dit jaar geldt voor alle zwembaden een inspectie-/registratieplicht. Als niet-resistent RVS wordt aangetroffen, is vervanging vereist. Inspectie en vervanging moeten zijn uiterlijk 1 januari 2017 zijn uitgevoerd.

Met de verplichte inspectie en registratie van gebruikte materialen is voor bestaande zwembaden de problematiek, en dan met name van het gebruik van niet-resistent RVS op ‘risicovolle gebieden’ in kaart gebracht en allicht opgelost.

Toch behoudt NPR 9200 zijn nut voor het verbouwen of nieuwbouw van zwembaden. De norm geeft immers richting aan de toepassing van metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen. Daarom is inbreng van de belanghebbende partijen bij de evaluatie belangrijk. Dat zijn in wezen alle schakels in de bouwketen: van opdrachtgever en ontwerper tot aannemer, installateur en de eigenaar en beheerder van het zwembad. De NPR is toepasbaar op ‘gewone’, overdekte zwembaden, maar ook op de doorgaans kleinere, overdekte baden in bijvoorbeeld hotels, ziekenhuizen en pretparken.

De evaluatie verloopt via www.normontwerp.nen.nl. Door in te loggen is het mogelijk commentaar te geven op NPR 9200.

  • Info: NEN Klantenservice, telefoon (015) 2 690 391 of e-mail klantenservice@nen.nl
  • Foto: zwembad De Schelp, Bergen op Zoom (Zwarts & Jansma Architecten / Jan Brouwer Associates).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Jelmer Feenstra wint IFV-VVBA-scriptieprijs 2016



3 november 2016

Met zijn thesis ‘FDS-2-Abaqus, a two-way CFD-FEM coupling' heeft Jelmer Feenstra, student aan de TU Eindhoven, de IFV-VVBA-scriptieprijs 2016 in de wacht gesleept. Hij heeft de prijs vandaag in ontvangst genomen, op de slotdag van het 9e Nationaal Congres Fire Safety & Science in Arnhem.

De winnende scriptie handelt over de gelijktijdige simulatie van de thermische en mechanische respons van constructies bij brand. ‘Een origineel en vernieuwend onderwerp waarvoor veel belangstelling bestaat’, aldus juryvoorzitter Paul Verlaan (Wetenschappelijke Raad Brandweer), ‘Daarbij is er veel behoefte aan beter inzicht in de interactie tussen thermische en mechanische respons van constructies.’

Bij fire (safety) engineering is het vooralsnog gebruikelijk om uitsluitend de thermische respons van gasmassa en constructie te simuleren, de mechanische respons van de constructie blijft buiten beschouwing (CFD). Bij structural engineering gebeurt dikwijls het omgekeerde: wél de mechanische, niet de thermische respons (FEM). Het gelijktijdig simuleren van thermische en mechanische respons (CFD-FEM), rekening houdend met de onderlinge beïnvloeding, komt maar zelden voor. ‘Dit onderzoek toont aan dat een dergelijke tweeweg-koppeling fundamenteel noodzakelijk is; de interactie is van groot belang’, meent de jury.

De studie is volgens de jury bovendien een goede opstap naar wetenschappelijk vervolgonderzoek. Hierin dient wel plaats te worden ingeruimd voor experimentele validatie, zo luidt de aanbeveling. ‘Ander sterk punt van de scriptie’, vindt de jury, ‘is het concrete karakter van de tweeweg-koppeling door middel van een script dat de communicatie tussen de verschillende modellen regelt.’ Dit script is ook onderdeel van de scriptie.

De scriptieprijs is dit jaar voor de vijfde maal uitgeschreven door IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) en VVBA (Vereniging van Brandveiligheid Adviseurs) als waardering voor bachelor- en masterscripties die gewijd zijn aan brandveiligheid. Deelname staat open voor studenten aan onderwijsinstellingen in het Nederlands-Vlaams taalgebied.

Ditmaal werden in totaal 12 inzendingen ontvangen. Van dit dozijn werden drie scripties voor de prijs genomineerd. Winnaar Jelmer Feenstra strijkt niet alleen met de eer, hij toucheert tevens een prijzengeld van € 1.200 ter besteding aan een cursus, studieboek of studiereis of een ander leerzame activiteit die verband houdt met Fire Safety Engineering.

De winnende scriptie en de ander twee genomineerde scripties zijn hieronder als PDF te downloaden:

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Nationaal Congres Fire Safety & Science

28 oktober 2016

Beleidsmakers bij overheden, bouwplantoetsers en toezichthouders, leidinggevenden en medewerkers van brandweerkorpsen, brandveiligheidsadviseurs, projectontwikkelaars en bouwkundigen, onderzoekers, docenten en studenten……; eigenlijk iedereen die in beroep of studie bezig is met brand(veiligheids)onderzoek, brandrisicobeoordeling, brandpreventie en brandbestrijding vindt heel wat zijn informatieve gading op het 9e Nationaal Congres Fire Safety & Science in Arnhem.

Het programma voor woensdag 2 en donderdag 3 november a.s. staat bol van de laatste wetenswaardige ontwikkelingen, trends en activiteiten in research, engineering, preventie en repressie, in hun onderlinge samenhang. Zowel op 2 als 3 november is de ochtend gevuld met plenaire voordrachten, na de lunch gevolgd door parallelsessies.

Om er twee leerrijke congresdagen van te maken, hebben organisatoren IFV en Stichting Fellow FSE een veelbelovend sprekerscollectief geformeerd. Op het programma prijken internationale namen als Robin Zevotek (Underwriters Laboratories, VS), Roland Goertz (Universität Wuppertal), Anna Figueras Masip (Escola de Bombers de Catalunya, Spanje) en Mark Cashin (Deputy Chief Fire Officer bij Cheshire Fire and Rescue Service, Engeland). Luke Bisby (University of Edinburgh) is aangetrokken voor een schets van verleden, heden en toekomst van het ‘concept’ constructieve brandwerendheid en van de veranderingen in methoden en technieken om de brandwerendheid van constructies te testen en in de praktijk te laten voldoen aan de eisen.

Nederland is vertegenwoordigd met onder meer Rudolf van Mierlo (Efectis Nederland), Ricardo Weewer, Lieuwe de Witte en René Hagen (alle drie: Brandweeracademie) én Ruud van Herpen (Nieman Raadgevende Ingenieurs en TU Eindhoven). Vooral vanuit zijn functie van Fellow in Fire Safety Engineering bij Bouwkunde TU Eindhoven stelt Ruud van Herpen enkele belangrijke vraagstukken aan de orde tijdens een workshop over brandpreventie en –bestrijding in grote parkeergarages. Welke brandscenario’s zijn te verwachten in grote parkeergarages, wat zijn de consequenties van deze scenario’s voor de draag- en scheidingsconstructies, is brandvermogen een definitie voor de thermische belasting op gebouwconstructies én hoe zijn brandbestrijdingsstrategieën afhankelijk van de verwachte brandscenario’s?

De plenaire lezingen en parallelsessies gaan vergezeld van posterpresentaties van recente onderzoeken door studenten van de TU Eindhoven en de Brandweeracademie én de uitreiking van IFV-VVBA Scriptieprijs 2016. Voor deze prijs zijn drie studenten genomineerd, zie het nieuwsbericht verder op deze pagina.

  • Het congresprogramma en aanvullende informatie, waaronder een video-impressie van het congres in 2015, vindt u op http://www.ifv.nl
  • Aanmelden voor deelname aan het congres is per heden niet meer mogelijk. Het maximum aantal bezoekers is bereikt.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Even voorstellen: de raamsprinkler

20 oktober 2016

Zelfs voor zeer specifieke toepassingen is vandaag de dag wel een sprinkler voorhanden, mede dankzij de aanhoudende innovaties in sprinklertechnologie en -typologie.

Een relatief nieuw sprinklertype is bijvoorbeeld de quick respons wandsprinkler, speciaal voor ruimten met relatief beperkt brandrisico. Deze horizontaal gemonteerde sprinkler is toegerust met een verspreidplaat die het water grotendeels voorwaarts richt. Of de ESFR-sprinkler, eveneens een quick respons sprinkler die door de grote sproeiopening (orifice) vijf keer zoveel water op het vuur kan brengen dan een conventionele sprinkler. Dit type leent zich bij uitstek voor ruimten met grotere brandrisico’s zoals hoogstapelmagazijnen en distributiecentra. En dan is er natuurlijk de woningsprinkler, ook wel ‘waterleidingsprinkler’ genoemd, omdat deze sprinkler op de leidingwaterinstallatie van de woning kan worden aangesloten. Aanpassingen van bestaande installatie en leidingen kunnen achterwege blijven, indien de momentane watervraag niet groter wordt dan ongeveer 25 l/min.

Een andere noviteit verdient nadere introductie: de raamsprinkler. Onder de kenners is dit sprinklertype bekend van toepassing in gebouwen en bouwwerken in het buitenland, zoals Engeland en Canada. De raamsprinkler is speciaal ontwikkeld en getest voor het koelen van een glazen gevel, deur of wand, zowel aan de direct verhitte zijde (in de brandruimte) als de indirect verhitte zijde (in het aangrenzende compartiment of buiten het gebouw). Met de sprinkler is bij normaal, niet-brandwerend glas een brandwerendheid tot 120 minuten haalbaar. Daarmee is de raamsprinkler een alternatief dan wel een metgezel van brandwerend glas.

De raamsprinkler zorgt na activeren voor een voortdurende ‘waterfilm’ over het gehele glasoppervlakte. Om deze film te maken en in tact te houden, mogen op het glas geen horizontale obstructies voorkomen.

Voor toepassing ín het gebouw is een gesloten raamsprinkler geschikt. In deze uitvoering beschikt de sprinkler over een hittegevoelig element dat door de warmteafgifte bij brand wordt geactiveerd. Buiten het gebouw ligt een open sprinkler voor de hand, te activeren door een detectiesysteem.

De sprinkler is te combineren met een regulier sprinklersysteem, maar kan ook ‘stand alone’ functioneren. Bij vakkundig ontwerp en installatie is het aantal raamsprinklers en de response- en de sproeitijd altijd in overeenstemming met de brandwerendheidseis voor de scheidingsconstructie.

De sprinkler geniet een UL listing, conform UL199. De werking is namelijk getest volgens ASTM/UL E-119. Hierbij is een beglazing van normaal glas met raamsprinklers 120 minuten blootgesteld aan de standaard brandkromme. Vooraf wordt nagegaan of het normaal glas voldoende sterk is om de waterfilm te weerstaan. De raamsprinkler is quick response. Zeker bij normaal glas is dat ook nodig, omdat dit glas al bij zo’n 80 tot 90°C kan breken. (De kritieke temperatuur van brandwerende glassoorten ligt tussen 150 en 200°C). De sprinkler dient dan ook geruime tijd vóór het bereiken van deze kritieke temperatuur over het glas te sproeien. In overeenstemming met de testopstelling wordt een raamsprinkler bij de bovenzijde van het raamkozijn gemonteerd en horizontaal georiënteerd. De sprinklerkop bevindt daarbij op zo’n 50 mm afstand van de bovenkant van het kozijn en op zo’n 13 mm van het glas.

Over de werking en toepassing van raamsprinklers handelt een aparte paragraaf (8.15.26) in de 2016-editie van NFPA 13. Dit internationaal erkend voorschrift voor sprinklerbeveiliging is hier verkrijgbaar.

  • Met bijdrage van Arjan ten Broeke (Business Development Manager, Tyco Fire Protection Products).

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Drie genomineerden IFV-VVBA-scriptieprijs 2016

30 september 2016

Jelmer Feenstra (TU Eindhoven) en Hilco Hiemstra en Matthias van de Veire (beide Lund Universiteit Zweden / Universiteit Gent ) zijn de drie kandidaten voor de IFV-VVBA-scriptieprijs 2016.

De prijs is in het leven geroepen door IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) en VVBA (Vereniging van Brandveiligheid Adviseurs) ter waardering van bachelor- en masterscripties die gewijd zijn aan brandveiligheid. In aanmerking komen scripties van studenten aan onderwijsinstellingen in het Nederlands-Vlaamse taalgebied.

De VVBA-scriptiecommissie, geformeerd uit ir. Erik Janse en ir. Danny Ruytenbeek selecteerde de drie nominaties uit in totaal twaalf inzendingen voor de inmiddels vijfde editie van de prijs. De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens het Nationaal Congres Fire Safety and Science, 2 en 3 november a.s.

De drie genomineerde scripties zijn hieronder als PDF te downloaden:

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Protocol Automatische doormelding vernieuwd

9 september 2016

Samen met het Verbond van Verzekeraars en Brandweer Nederland heeft VEBON, de vereniging van leveranciers van (brand)veiligheidsproducten, een herziene versie gepubliceerd van het Protocol ‘Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC’. Het protocol geeft aan wanneer en onder welke voorwaarden een brandmelding, afkomstig van een brandmeldinstallatie, door de particuliere alarmcentrale (PAC) kan worden doorgestuurd naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de brandweer. Met behulp van het protocol, inclusief overzichtelijke beslissingsmatrix, kunnen PAC-functionarissen de betrouwbaarheid van een brandmelding snel en afdoende verifiëren en bepalen of doormelding naar de brandweer noodzakelijk is.

De herziene versie is de derde editie van de publicatie uit 2012. Voor de PAC’s kwam het protocol destijds als geroepen, omdat ze steeds meer meldingen van brandmeldinstallaties binnenkregen. Sinds het Bouwbesluit 2012 is een directe aansluiting van de automatische brandmeldinstallatie op de RAC namelijk alleen nog verplicht voor woonzorgfuncties, gezondheidszorgfuncties, celfuncties, logiesfuncties zonder 24-uurs bewaking en sommige bijeenkomstfuncties (zoals opvang van kinderen tot 4 jaar). Voor alle overige gebouwfuncties – zo’n 70% van het totaal – is rechtstreekse doormelding niet meer vereist en komen de meldingen eerst binnen bij de PAC. Door de verificatie kan het aantal incorrecte doormeldingen omlaag en daarmee de nodeloze uitrukken van de brandweer.

Ook de brandweer zelf heeft (landelijke) maatregelen getroffen om het aantal onterechte uitrukken terug te dringen. Zo gaan de centralisten in alle meldkamers van de RAC’s nu altijd eerst na of er werkelijk sprake is van brand.

Mede dankzij deze activiteiten is het aantal meldingen van brand aan de RAC’s gedaald van 91.000 in 2014 naar 85.000 in 2015 ofwel een reductie van 7%, zo blijkt uit de statistieken die het CBS begin dit jaar heeft gepubliceerd. Het aantal meldingen uit automatische brandmeldinstallaties ging met maar liefst 5.100 omlaag. De vraag om hulpverlening door de brandweer steeg wel: naar 67.000 acties in 2015. Hiertoe behoren het bevrijden van inzittenden na een auto-ongeluk, reanimeren bij hartfalen, ontruimen van gebouwen of bijstand bieden bij het bestrijden van wateroverlast. De stijging van 14% ten opzichte van 2014 zit ‘m mede in het veelvuldig uitrukken vanwege extreem weer in 2015, bijvoorbeeld voor het verwijderen van omgewaaide bomen.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

State of the art in woningsprinkers gedocumenteerd

24 augustus 2016

De interesse voor het gebruik van sprinklers in woningen groeit. IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) grijpt dit ‘momentum’ aan met haar nieuwe publicatie ‘Sprinklers in de woonomgeving’.

Verdeeld over 24 lezenswaardige pagina’s beschrijft ing. Lieuwe de Witte onder meer de diverse soorten sprinklers voor toepassing in woningen, hun werking, effectiviteit en rendement én de argumenten voor de toepassing. Actuele aanleidingen om sprinklers in woningen zeer serieus te overwegen zijn de toename van brandrisico’s in woningen met hun eigentijdse, maar gemakkelijk brandbare inrichting en de toename van het aantal, minder zelfredzame senioren dat langer zelfstandig blijft wonen.

Sprinklers kunnen niet alleen het brandveiligheidsniveau van de woning of het woongebouw verhogen. Ook kunnen ze de benodigde compensatie bieden indien niet direct wordt voldaan aan de prestatie-eisen in het Bouwbesluit dan wel aan de wensen van de brandweer in het kader van de effectieve brandbestrijding.

Vandaar dat sprinklers in de woonomgeving zelfs – in beginsel – afdwingbaar zijn, aldus Lieuwe de Witte. Bestuursrechtelijk zou dat mogelijk zijn door de toepassing van een sprinkler (als gelijkwaardige brandveiligheidsoplossing) te vereisen voor afgifte van de omgevingsvergunning. Privaatrechtelijk kunnen projectontwikkelaar en kopers afspraken maken, eventueel in overleg met de gemeente.

De IFV-publicatie zet in elk geval uiteen wat de voordelen van woningsprinklers zijn voor de verschillende doelgroepen; van de (minder zelfredzame) bewoners, gemeenten en projectontwikkelaars tot en met de waterleidingsbedrijven, de verzekeringsmaatschappijen en de brandweer. De publicatie is compleet met informatie over de huidige eisen voor installatie, handhaving en certificering. En daarmee heeft de Brandweeracademie er het gewenste middel voor het brandweeronderwijs bij.

Webtool Brandwerende platen/mortel uitgebreid

11 augustus 2016

De webtool ‘Brandwerende platen/mortel’ is aangevuld met Isolatek Type 300. Deze spuitpleister van Reppel is bestemd voor het brandwerend beschermen van onder meer stalen kolommen en liggers (H-, I- en kokerprofielen). Isolatek Type 300 brengt het totaal producten in de webtool op 8. Voor dit moment, want Bouwen met Staal voegt graag uw plaat- of mortelproduct toe, voor slechts € 250,00 (excl. BTW) per product.

Voorwaarde voor opname is wel dat het product is getest en beoordeeld volgens EN 13381-4 door een hiertoe geaccrediteerd instituut, een ‘notified body’ zoals Efectis of Warrington. Mocht het product hieraan niet voldoen, dan is opname in de tool tóch mogelijk ná afgifte van een verklaring van een notified body waaruit blijkt dat het product óf de testrapporten zijn getoetst aan de EN 13381-4.

De webtool ondersteunt architecten, constructeurs en functionarissen van brandweer en bouwtoezicht bij het verkennen, beoordelen en kiezen van plaat- en mortelproducten voor het brandwerend beschermen van staalconstructies van gebouwen. De tool presenteert de geschikte plaat- of mortelproducten na keuze van onder meer type profiel van kolom of ligger, profielfactor, kritieke staaltemperatuur, brandwerendheidseis en toepassingsgebied (binnen, buiten, zichtwerk). De producten zijn tevens vindbaar op product- of leveranciersnaam.

  • Voor nadere inlichtingen over productopname in de tool Brandwerende platen/mortel kunt u contact opnemen met Ralph Hamerlinck van Bouwen met Staal, via e-mail: ralph@bouwenmetstaal.nl
  • Foto: Reppel.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Nieuwe tool voor laagdiktebepaling brandwerende bescherming

10 augustus 2016

BRAWESTAMAT heet de nieuwe tool van Bouwen met Staal waarmee de ontwerper of (brandveiligheids)adviseur gratis en eenvoudig de laagdikte kan bepalen van de brandwerende bescherming van de stalen (hoofd)draagconstructie of scheidingsconstructie van het gebouw. De Excel-tool berekent de benodigde laagdikte van een brandwerende coating, plaat óf spuitmortel na invoer van de brandwerendheidseis, het profieltype (H-/I-, buis- of kokerprofiel), de kritieke staaltemperatuur, de profielfactor en het gewenste type brandwerend materiaal.

Ook kan vooraf de naam van een product worden gekozen. In de database van de tool zijn op dit moment producten verwerkt van DMS (Dutch Marine Systems), Hempel, Sika Nederland en Promat. De tool berekent de (droge) laagdikte van een product met behulp van de getoetste laagdiktegegevens bij dat product, aangeleverd door de deelnemende leveranciers.
Alle opgenomen producten zijn door een geaccrediteerd instituut (een ‘notified body’ zoals Efectis Nederland of Warrington Certification) getoetst aan EN 13381-4 (voor brandwerende plaat en mortel) en EN 13381-8 (voor brandwerende verf).

Bouwen met Staal heeft BRAWESTAMAT samengesteld om ontwerpers en adviseurs te ondersteunen bij hun afwegingen en keuzes van oplossingen van de brandwerendheid van staalconstructies. Daarom is het met de tool eveneens mogelijk om alternatieven of varianten van een bepaalde oplossing op te vragen. Hierbij valt onder meer te denken aan een ander type profiel of een iets zwaarder profiel van hetzelfde type, een grotere wanddikte van een buis- of kokerprofiel waardoor dit profiel slanker uitvalt óf het hanteren van een meer precieze kritieke staaltemperatuur.

BRAWESTAMAT past dan ook bij de webtools Brandwerende coatings en Brandwerende platen/-mortel, eerder door Bouwen met Staal gelanceerd. Ook deze webtools dienen als hulp, bij de selectie van resp. brandwerende coating- en brandwerende plaat en -mortelproducten. Het berekenen van de laagdikte van een product is met deze keuzetools echter niet mogelijk. Deze leemte is nu gevuld met BRAWESTAMAT.

In BRAWESTAMAT geeft het tabblad ‘Algemeen’ een toelichting op doel en gebruik van de tool. Hier wordt tevens doorverwezen naar (kosteloze) informatie, documentatie en tools op www.brandveiligmetstaal.nl voor het bepalen van de kritieke staaltemperatuur en de profielfactor, die nodig zijn voor de laagdikteberekening.

Bij Bouwen met Staal kunnen leveranciers hun product(en) aanmelden voor opname in de tool. De kosten van publicatie bedragen € 250,00 per product (exclusief btw).

Praktijkrichtlijn brandveilige staalconstructies met sprinklers

12 juli 2016

Op initiatief van de Technische Commissie Brandveiligheid van Bouwen met Staal en NOVB hebben DMGR en Efectis het concept-rapport geproduceerd waarmee de keuze van een sprinklerinstallatie in de projectpraktijk op uniforme wijze kan worden beloond met een reductie van de brandwerendheidseis voor de stalen (hoofd)draagconstructie. Publicatie van het definitieve rapport en de hierop gebaseerde richtlijn vindt plaats na afronding van overleg over de inhoudelijke afstemming met Brandweer Nederland.

Een (hoofd)draagconstructie van een gebouw moet voldoen aan de eisen voor constructieve sterkte bij brand volgens het Bouwbesluit. Maar reductie van deze prestatie-eisen ligt in de rede bij toepassing van een brandveiligheidsconcept met sprinklers, zónder afbreuk te doen aan het veiligheidsniveau.

Immers, een sprinklerinstallatie zorgt voor snelle detectie van de brand en blust de brand direct óf houdt de brandomvang in elk geval beperkt. Hierdoor wordt branduitbreiding voorkomen. Bovendien houdt de sprinklerinstallatie de brandtemperatuur in de ruimte laag. Hierdoor blijft de thermische belasting op de draagconstructie in en om de brandruimte gering. De constructie behoudt de vereiste brandwerendheid zonder aanvullende brandveiligheidsmaatregelen.

In geval van een staalconstructie is het dan mogelijk te besparen op de dimensionering van de constructiedelen en daarmee op het staalgebruik óf op (de dikte van) de brandwerende coating, plaat of mortel. Dat zijn interessante, budgetvriendelijke opties voor ontwerpers en opdrachtgevers.

In een bouwproject mét sprinklers zou de constructieve brandwerendheidseis best omlaag kunnen, want het brandveiligheidsniveau blijft gewoon gegarandeerd. Maar hoe geef je die eisenreductie nu handen en voeten in het project?

Het antwoord klonk op 27 mei jl. tijdens het seminar Sprinklers bij Troned in Enschede: binnenkort is er de Praktijkrichtlijn brandveilige staalconstructies met sprinklers. Deze richtlijn bevat een rekenmethode met veiligheidsfactoren die de ontwerper of adviseur in acht heldere stappen meevoert van de basiseisen in het Bouwbesluit voor de gegeven functie naar de benodigde brandwerendheidseis voor de draagconstructie. De acht rekenfasen zijn in het schema hieronder benoemd.

De gereduceerde brandwerendheidseis voor de draagconstructie volgt uit de formule:

BoBconred = (BoB – Rsprinkler – Rqperm) * aantal minuten brandwerendheid

waarin:

BoBconred = brandwerendheid draagconstructie op basis van (uitsluitend) de reductiefactoren;
BoB = veiligheidsfactor van prestatie-eis in Bouwbesluit zonder reductie;
Rsprinkler = reductie op veiligheidsfactor door sprinkler;
Rqperm = reductie op veiligheidsfactor door lage permanente vuurbelasting.

Daarna wordt de gereduceerde brandwerendheidseis nog getoetst aan de minimumwaarden voor de ontruimingstijd en de WBDBO van brandscheidingen. Met deze toetsing wordt ook rekening gehouden bij het veilig doorzoeken van een gebouw door de brandweer.

De praktijkrichtlijn is bestemd voor nieuwbouw (volgens het huidige Bouwbesluit 2012) met stalen draagconstructies, waarbij de gevolgen van eventueel bezwijken van de constructie beperkt blijven. Het gaat dan om gebouwen die vallen in de gevolgklasse CC1 of CC2 van NEN-EN 1990. Meestal behoort een gebouw tot een van deze klassen. CC3-gebouwen zoals grote openbare gebouwen, hoogbouw boven 70 m, concertzalen, concertzalen, tribunes en forse expo-ruimten vallen buiten het toepassingsgebied van de praktijkrichtlijn. Hier is maatwerk gevraagd, omdat de consequenties van het bezwijken van de constructie verstrekkend en ingrijpend kunnen zijn.

De praktijkrichtlijn is samengesteld door een werkgroep met onder meer DGMR en Efectis, onder auspiciën van de Technische Commissie Brandveiligheid van Bouwen met Staal. De definitieve versie van de richtlijn volgt nadat de werkgroep het concept tot in detail heeft besproken met Brandweer Nederland. In elk geval heeft de brandweer wel oren naar de richtlijn, zo viel te beluisteren tijdens het sprinklerseminar: met één eenduidig, landelijk model hoeven de verschillende regio’s niet steeds zelf het wiel uit te vinden.

  • Tijdens het seminar Sprinklers van 27 mei jl. gaf Ronald Oldegarm van DGMR een nadere toelichting op de praktijkrichtlijn. Zijn presentatie, compleet met enkele toepassingsvoorbeelden, is hier gratis te downloaden.

______________________________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________________________

Buiteninzet, beste strategie bij brandbestrijding bedrijfsgebouwen?

3 juli 2016

Brandweer Nederland en de Brandweeracademie hebben in het najaar 2014 praktijkexperimenten uitgevoerd om in kaart te brengen hoe brand en rook zich ontwikkelen in een echt woonhuis. Naast het brandverloop zijn onder meer ook de effectiviteit van rookmelders en woningsprinklers gemeten. Als onderzoeksterrein dienden sloopwoningen in de voormalige woonwijk De Achtermars in Zutphen, voor de gelegenheid voorzien van meubilair anno 2014. Onlangs zijn de conclusies van de experimenten naar buiten gebracht.

Tijdens de experimenten raakten veel branden al snel, vóór flashover, ventilatiegecontroleerd. Dit type branden wordt wel aangeduid met ‘ondergeventileerde brand’. Bij toevoer van zuurstof, bijvoorbeeld door het openen van een deur of het breken van een ruit, kan zo’n brand ineens, onverwacht oplaaien. Ondergeventileerde branden kunnen dan ook relatief veel gevaar opleveren voor brandweermensen tijdens de brandbestrijding in het gebouw.

Om meer inzicht te krijgen in het verschijnsel ondergeventileerde brand hebben de onderzoekers de experimenten in Zutphen achteraf geanalyseerd met behulp van een simulatiemodel. Niet alle branden die de symptomen vertonen, blijken ook daadwerkelijk ondergeventileerd te zijn. Dat maakt ’t voor de brandweer in de praktijk lastig om een ongeventileerde brand te herkennen. Bij twijfel is ’t raadzaam toch maar uit te gaan van een ondergeventileerde brand, vanwege de grote risico’s.

Bij het onderzoek zijn ook diverse praktijkbranden in woningen en bedrijfsgebouwen tegen het licht gehouden. Veel van deze branden hebben de kenmerken van een ondergeventileerde brand, maar ook hier blijkt moeilijk met zekerheid vast te stellen dat ’t om ondergeventileerde branden gaat.

De praktijkgegevens wijzen tevens uit dat branden in bedrijfsgebouwen moeilijker van binnenuit te blussen zijn dan branden in woningen. Ondanks de gevaren kunnen woningbranden op een verantwoorde manier via een binneninzet worden bestreden. Bij bedrijfsgebouwen lijkt een offensieve buiteninzet een meer logische keuze.

Bij ondergeventileerde branden is ’t uiteraard van belang om de zuurstoftoevoer te beperken. Zeker bij zo’n brand in een bedrijfsgebouw zou de strategie moeten zijn: pand dichthouden en zoveel mogelijk van buiten af repressief optreden. Dan win je tijd voor de voorbereiding en uitvoering van de brandbestrijding, bijvoorbeeld voor het vinden van de juiste plaats van de inzet en voor het opbouwen van voldoende koelend vermogen. Vandaar dat de Brandweeracademie momenteel nadere studie doet naar buiteninzet bij branden in bedrijfsgebouwen.

IFV stelt directeur portefeuille brandweer aan

24 juni 2016

IJle Stelstra is per 1 september a.s. directeur portefeuille brandweer bij het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Op dit moment is Stelstra nog waarnemend commandant van brandweer Amsterdam-Amstelland. In zijn nieuwe functie gaat hij aan de slag met de doorontwikkeling van het IFV als ondersteunende organisatie voor Brandweer Nederland. Hij gaat de verbinding leggen tussen de professionele behoeften van de brandweer en de ondersteuningsmogelijkheden en inzet van het instituut.

De bijdrage van de nieuwe functionaris vloeit voort uit de wens van het IFV-bestuur om de samenwerking met de regionale brandweren te versterken. Hiertoe heeft het IFV samen met de Raad van Brandweercommandanten (RBC) voorstellen geformuleerd, gebaseerd op de visie van Brandweer Nederland. Binnen dit samenwerkingstraject gaat de nieuwe directeur portefeuille brandweer een centrale positie innemen. Daarnaast treedt IJle Stelstra tevens toe tot de RBC.

Gewijzigde NEN 6068 gepubliceerd

6 juni 2016

NEN heeft op 1 juni de NEN 6068:2016/C1:2016 uitgebracht. NEN 6068 dient ter bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen ruimten. In het Bouwbesluit wordt de norm aangewezen voor het beperken van uitbreiding van brand in gebouwen.

Met de nieuwe publicatie komt de normversie van 1 maart 2016 te vervallen. Een belangrijke wijziging ten opzichte van deze voorganger is dat de norm nu tevens een methode geeft voor het berekenen van brandoverslag via dakopeningen, dakramen en dakkapellen. Voor de meeste situaties resulteert deze berekening in een kortere benodigde veilige afstand tot andere dak- en gevelopeningen dan bij gebruik van de bestaande vuistregel. Bij het opnieuw doorrekenen van een bestaande situatie kan het daarom voorkomen dat minder voorzieningen zijn vereist dan in het verleden het geval. Met toevoeging van de rekenmethode behoren nu ook gevelopeningen met een hoogte/breedte-verhouding van meer dan vier en gevelopeningen van meer dan 50% van het vloeroppervlakte tot het toepassingsgebied van de NEN 6068.

  • De norm is te bestellen in de Normshop op nen.nl
  • Nadere inlichtingen over de norm en de totstandkoming ervan zijn in te winnen bij Marc Mergeay, Consultant Bouw & Installaties bij het NEN, via tel. (015) 2690367 of e-mail bouwveiligheid@nen.nl

Er gaat niets boven Twente

26 mei 2016

Van donderdag 2 tot en met zaterdag 4 juni a.s. is vliegveld Twente het domein van eRIC, het internationale vakevenement voor rampenbestrijding, incidentmanagement en crisisbeheersing. Drie dagen lang fungeert Hangar 11 op het vliegveld als het centrale platform voor vertegenwoordigers van landelijke veiligheidorganisaties, regionale en lokale brandweer en andere operationele hulpverleningsdiensten én leveranciers van de meest uiteenlopende producten en diensten: van voertuigen, materieel en kleding tot opleiding en training, informatietechnologie en preventietechniek. De producten en diensten zijn bijeengebracht op de expo die dagelijks vergezeld gaat van een lezingenprogramma en demonstraties.

Alleen al gezien de eventlocatie is Twente Safety Campus (TRONED) als vanzelfsprekend van de partij op de expo. In de TRONED-stand kunt u persoonlijk kennismaken met Argus, de drone waarmee Brandweer Twente en Brandweer Midden West Brabant als eerste en tot nu toe enige korpsen in Nederland mogen vliegen tijdens incidenten. Ook komt u van alles te weten over de nieuwe faciliteiten op de campus, waaronder het nieuwe gebouw voor training en oefening en het nieuwe gebouw voor brandonderzoek. Het brandonderzoeksgebouw leent zich onder meer voor praktische veiligheidstesten. Voor gratis bezoek van eRIC kunt u zich hier registreren.

Wilt u al eerder een kijkje nemen bij TRONED? Dat kan morgen (vrijdag 27 mei) tijdens het seminar ‘Sprinklers’ van Bouwen met Staal bij Troned. Na het ochtendprogramma met lezingen over de laatste trends in techniek en toepassing van sprinklers voor de brandveiligheid van gebouwen, volgt een rondleiding over de campus met bezichtiging van het Brandonderzoekshuis. Meldt u vandaag nog aan (’t kan alleen nog vandaag) voor gratis deelname op: http://www.bouwenmetstaal.nl/evenementen/tc-3-seminar-sprinklers

  • Foto's: Troned.

De mooie kant van brand

17 mei 2016

Natuurlijk stellen we alles in het werk om het ontstaan van brand te voorkomen, branduitbreiding tegen te gaan en schade en letsel als gevolg van brand voor te zijn of te minimaliseren. Maar het fenomeen ‘brand’ heeft toch ook een mooie kant. Die kant van brand is treffend in beeld gebracht door fotograaf Philip Schuette.

In de meest uiteenlopende situaties (en onder beheersbare omstandigheden) vereeuwigt hij vlammen of beginnende brandjes die doorgaans zeer plotseling ontstaan en alweer gedoofd zijn voordat de kijker er erg in heeft. Ook de fotograaf zelf heeft nauwelijks invloed op de uitkomsten van zijn inspanningen. Ook hij wordt verrast door de resultaten die zich laten lezen als een kleine cirkel op de muur, een draak, een havik of juist een totaal ander subject of object. Het is maar wat de fantasie je ingeeft.



De verzameling ‘vlamfiguren’ van Schuette maakt deel uit van een brede collectie foto’s, van zowel vakfotografen als hobbyisten, op beeldjagers.org. Deze website is opgezet op initiatief van MOTI, Museum of the Image, naar een concept van media-ondernemer en internetcurator Dagan Cohen in samenwerking met de Volkskrant. De site werkt als een on-line museum waar een ieder – net als op Facebook, Pinterest of Tumblr – zijn eigen, persoonlijke fotoseries kan uploaden. De webredactie beoordeelt de inzendingen en publiceert elke week díe series die zich onderscheiden in originaliteit, artistieke kwaliteit en een boeiend achterliggend verhaal.

Sprinklers in theorie en praktijk

28 april 2016

Bij de toepassing van sprinklers voor de brandveiligheid van gebouwen kunt u zeker op één ding vertrouwen: een beginnende brand blijft een beginnende brand, die óf direct wordt geblust óf in elk geval wordt beheerst waardoor branduitbreiding wordt voorkomen. Bovendien zorgen sprinklers voor een lagere brandtemperatuur in de ruimte, reductie en koeling van rook en hete gassen tijdens de brand én koeling van de delen van de (hoofd)draagconstructie en scheidingsconstructies in de brandruimte. Hierdoor biedt een sprinklerinstallatie, naast het gewenste brandveiligheidsniveau, perspectief op aanzienlijke besparingen op bouwkundige en constructieve brandveiligheidsvoorzieningen.

Redenen genoeg om u licht op te steken bij het seminar 'Sprinklers: theorie & praktijk' op vrijdag 27 mei a.s. Tijdens deze dagvullende bijeenkomst bij Troned in Enschede wordt u – gratis – bijgepraat over de laatste trends en ontwikkelingen in het toepassen van sprinklers in gebouwen. De seminar-sprekers zijn John van Lierop (VEBON-NVBO & EFSN), Ruud van Beeren (Veiligheidsregio Limburg) en Ronald Oldegarm (DGMR Adviseurs) die na zijn betoog de nieuwe praktijkrichtlijn met (ontwerp)aanbevelingen voor de inzet van sprinklerinstallaties in gebouwen ten doop houdt. Het ochtendprogramma met lezingen gaat in de middag vergezeld van een brandproef met sprinklers, begeleid door Quido Harmsen van Troned.

'Sprinklers: theorie & praktijk' is de inmiddels vierde aflevering in de serie theorie & praktijkseminars van de Technische Commissie Brandveiligheid van Bouwen met Staal. Eerdere edities waren gewijd aan brandwerende coatings, brandwerende scheidingen en Fire Safety Engineering. Het komend seminar richt zich vooral op ontwerpers, brandveiligheidsadviseurs en toetsers bij brandweer en bouwtoezicht.

  • Het volledige seminarprogramma, deelnameinformatie en de aanmeldingsoptie vindt u hier.
  • Foto's: kantoorgebouw Vivaldi, Amsterdam (Foster + Partners). Vooral dankzij een sprinklerinstallatie voldoet deze hoogbouw aan de eis van 120 minuten brandwerendheid.

27 Fatale woningbranden in 2015

14 april 2016

Afgelopen jaar woedden in ons land 27 fatale woningbranden. Bij deze branden waren 31 dodelijke slachtoffers te betreuren. Dat blijkt uit de registratie van woningbranden in 2015 door de Brandweeracademie.

Voornaamste oorzaken waren roken, onvoorzichtigheid bij het koken en kortsluiting van een apparaat. Onder ‘apparaten’ vallen onder meer kookplaten, elektraverdeeldozen, wekkerradio’s, DVD-recorders en computers. De branden ontstonden vooral in kleding, in de frituurpan of in bed. Ze kwamen het meeste voor in de woonkamer, gevolgd door de keuken en de slaapkamer. Bij bijna de helft van de woningbranden liepen ook aangrenzende woningen brand-, rook- of waterschade op.

Ruim 1/5 deel van de branden voltrok zich in de maand februari; bijna 1/5 deel werd gehaald in november. Ook deden zich in september en oktober relatief veel branden voor. Buiten de 27 branden om, werden nog eens 5 branden in woningen genoteerd waarbij in totaal 5 mensen omkwamen. Bij deze vijf branden ging het om zelfdoding. Deze branden worden niet meegenomen in de verdere analyse.

De cijfers over 2015 vertonen niet veel verschillen met die van voorgaande jaren. Zo zijn de veelvoorkomende oorzaken en plaatsen van ontstaan van de brand al enkele jaren dezelfde. Wel werden in 2014 meer fatale woningbranden (51) en dodelijke slachtoffers (52) genoteerd. Wel was bij 21 van deze 51 branden sprake van zelfdoding.

Al enkele jaren verzamelt de Brandweeracademie, als onderdeel van het Instituut voor Fysieke Veiligheid (IFV), structureel de data over fatale woningbranden in Nederland. De gegevens worden op ingevulde vragenlijsten aangeleverd door de ter plaatse actieve brandweerkorpsen en brandonderzoeksteams.

Databank gelijkwaardige oplossingen gewenst

7 april 2016

Een openbare database met gevalideerde gelijkwaardige oplossingen op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en installaties voor nieuwbouw en bestaande bouw kan bij ontwerpers, bouwers, toetsers en andere disciplines binnen de bouw op een warm onthaal rekenen. Dat blijkt uit onderzoek dat SBRCURnet onlangs heeft uitgevoerd in opdracht van stichting iBK. Actuele aanleiding voor de studie is de aanstaande Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wbk). Met deze wet wordt de toetsing van ontwerp- en uitvoeringsplannen mede een private aangelegenheid. De nieuwe lichting plantoetsers zou dan steun hebben aan een onafhankelijke database met onderbouwde en geaccepteerde gelijkwaardigheidsoplossingen die al eerder (soms al meermalen) in de projectpraktijk zijn toegepast. Zo’n databank zou kunnen bijdragen aan het meer uniform beoordelen van (verwante) gelijkwaardigheidsoplossingen en van dienst kunnen zijn bij het wegen van vernieuwende, projectspecifieke oplossingen.

Voor iBK heeft SBRCURnet de behoefte aan een databank gepeild onder de verschillende potentiële gebruikers. Ook zijn voorstellen gedaan voor de structuur en de ontsluiting. Daarnaast is een inventarisatie gemaakt van bestaande, gedocumenteerde gelijkwaardigheidsoplossingen die op zichzelf functioneren (geen relatie onderhouden met andere risicoparameters) en toepasbaar zijn bij nieuwbouw of verbouwing van veelvoorkomende, eenvoudige bouwwerken die doorgaans vallen in gevolgklasse 1. Deze categorie gebouwen is de eerste die na invoering van de Wbk in aanmerking komt voor private toetsing.

In totaal 144 oplossingen zijn tegen het licht gehouden, waarvan 50% voor de brandveiligheid van gebouwen. Ze werden aangereikt door onder meer CCV, ERB, Vereniging Stadswerk Nederland en Bouwen met Staal dan wel ontleend aan hun bronnen. De helft van de collectie blijkt ongeschikt voor opname, bijvoorbeeld omdat de oplossing niet algemeen toepasbaar is of omdat de onderbouwing onder de maat is. De andere helft is gekwalificeerd als geschikt óf geschikt na aanpassing. Voor de eventuele wijziging van oplossingen en het goedkeuren voor verwerking in de databank wordt een validatiecommissie voorgesteld. Hierin zijn de verschillende belanghebbende partijen vertegenwoordigd. Komende tijd gaat iBK na of de adviezen van SBRCURnet opvolging kunnen krijgen.

  • Het onderzoeksverslag is hier als PDF te downloaden. Alle geïnventariseerde oplossingen zijn vervat in bijlage A van het rapport.
  • Foto’s: Riviera Maison, Amsterdam (MIES architecten).

Kennis van brandveiligheid van staal- en staal-betonconstructies in drie middag/avonden

17 maart 2016

Natuurlijk is brandveiligheid één van de aspecten van het constructief ontwerpen. Maar wel een belangrijke, die bij de ontwerpende disciplines vraagt om kennis en kunde van het verwante vakgebied van de brandveiligheid. Juist bij de keuze van staal- of staal-beton voor de (hoofd)draagconstructie of scheidingsconstructie van een gebouw is van het belang dat de ontwerper en de constructeur weet wat de precieze eisen zijn, welke oplossingen voorhanden zijn en welke oplossingen in het onderhanden project de vereiste brandwerendheid bieden tegen een zo aantrekkelijk mogelijk prijskaartje en in samenhang met de installatietechnische en organisatorische brandveiligheidsmaatregelen. En, niet in de laatste plaats, dient de constructeur de verkozen oplossingen rekentechnisch afdoende te onderbouwen.
Al deze onderwerpen krijgen een intensieve en tegelijkertijd praktijkgerichte behandeling tijdens de driedaagse cursus Brand en brandveiligheid van staal- en staal-betonconstructies in Utrecht.

De cursus trapt af met een middag-/avondbijeenkomst op 7 april a.s. over brandveiligheidsconcepten, eisen en oplossingen voor een- en meerlaagse utiliteitsgebouwen en de beginselen van Fire Safety Engineering (FSE). Tijdens de tweede sessie op 21 april wordt verder gegaan met de praktische toepassing van FSE aan de hand van recente projecten en cases en wordt het berekenen van de brandwerendheid van staalconstructies volgens EN 1993-1-2 belicht. Hierbij worden diverse, handige ontwerp- en rekentools gedemonstreerd, zoals OZONE (een rekenmodel voor het bepalen van de temperatuurontwikkeling bij natuurlijke brand en van de thermische respons van de staalconstructie) en Difisek-CaPaFi (een Excel-programma voor het berekenen van de opwarming van staalconstructiedelen van parkeergarages tijdens brand).

Het afsluitende cursusdeel op 28 april staat geheel in het teken van staal-beton. Tijdens deze derde middag-/avond wordt onder meer het fenomeen van membraanwerking bij staalplaat-betonvloeren tijdens brand uit de doeken gedaan en hoe dit verschijnsel mogelijk bespaart op brandwerende voorzieningen van een deel van de stalen vloerliggers. Daarbij gaat een demonstratie van het computerprogramma MACS+. Deze tool berekent de brandwerendheid van een staalplaat-betonvloer op grond van het gedrag van de gehéle vloerconstructie tijdens brand, rekening houdend met de membraanwerking.

De kosten van deelname aan de cursus bedragen € 1.195 voor leden van Bouwen met Staal en € 1.395 voor overige belangstellenden. De kennisoverdracht tijdens de drie middag/avonden gaat vergezeld van voedzame maaltijden, de Eurocode-boeken Brand en Staal-beton van Bouwen met Staal én de syllabus met powerpointsheets van de docenten Rob Stark (IMd Raadgevende Ingenieurs), Tim van der Waart (Efectis Nederland) en Ralph Hamerlinck (Bouwen met Staal).

  • Het programma, aanvullende deelname-info en het aanmeldingsformulier vindt u op www.bouwenmetstaal.nl
  • Foto's: staalplaat-betonvloeren in Theater De Stoep, Spijkenisse (UN Studio, foto vloer: Prince Cladding).

Voor commentaar: ontwerp-norm beheer ontruimingsinstallaties

4 maart 2016

Nog tot 15 mei a.s. kunt u online reageren op het ontwerp voor de herziene NEN 2654-2 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties – Deel 2: Ontruimingsinstallaties’. NEN heeft het ontwerp in februari gepubliceerd, als beoogde vervanger van de huidige versie uit 2004.

NEN 2654-2 maakt deel uit van de normenreeks NEN 2654 waarin de betrokken (gebouw)beheerders de eisen en richtsnoeren vinden voor beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties in gebouwen. NEN 2654-1, herzien in 2015, is bestemd voor brandmeldinstallaties. NEN 2654-3, in 2012 herzien, betreft rookbeheersingssystemen.

Onderwerp van het tweede normdeel is de autonome ontruimingsalarminstallatie. Zo’n installatie kan ook bestaan uit verschillende ontruimingsalarmcentrales die via een netwerk met elkaar in verbinding staan. In elk geval gaat ’t om alarminstallaties waarbij de apparatuur en de bekabeling niet wordt geïntegreerd met andere installaties. Buiten het toepassingsgebied van NEN 2654:2 vallen ook brandbeveiligingsinstallaties zoals omschreven in NEN 2535+C1:2010, hoofdstuk 7.

Ten opzichte van de uitgave 2004 zijn in het ontwerp 2016 diverse belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Zo is de taak van de beheerder van de installatie aangepast. De taken die de beheerder uitbesteedt, zijn beter benoemd. De onderhoudstaken zijn waar mogelijk als prestatie-eis omschreven. Nieuw zijn een model-onderhoudsplan, een model-rapport voor onderhoud door een (extern) onderhoudsbedrijf en een model-rapport voor periodieke controle door de beheerder. Daarnaast zijn twee nieuwe richtlijn opgenomen: één voor beheer, controle en onderhoud op afstand en één voor de maatregelen bij het uitschakelen van de installatie of delen daarvan.

Wie wint de Innovatieprijs Brandveiligheid 2016?

24 februari 2016

Een van de highlights van het aankomend Nationaal Brandveiligheidsevenement – donderdag 14 april a.s. in De Bouwcampus in Delft – is de uitreiking van de Innovatieprijs Brandveiligheid 2016. SBRCURnet schrijft deze prijs elk jaar uit voor innovatieve ideeën voor een betere brandveiligheid van gebouwen in Nederland. Dit jaar kunt u uw idee indienen tót 13 maart a.s.

De vakjury voelt de inzendingen aan de tand op drie hoofdcriteria: vernieuwend denken, bruikbaarheid en toepasbaarheid, en integrale visie op brandveiligheid. Onder een ‘integrale visie’ wordt verstaan een visie op de veiligheid van mensen tijdens brand, maar ook op de brandveiligheid van het gebouw en de inventaris. Deze visie is uitgewerkt in bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen. Daarnaast gaat de jury na óf en in hoeverre de inzending daadwerkelijk kan bijdragen aan een meer brandveilige gebouwde omgeving. Het idee kan een verbetering leveren in een specifieke situatie op een specifiek onderdeel, maar ook breed toepasbaar zijn. En uiteraard dienen inzendingen voor een innovatieprijs de uitkomsten te zijn van vernieuwend denken, buiten het strikte kader van de standaard prestatie-eisen van het Bouwbesluit.

Uit de inzendingen selecteert de jury drie nominaties. De inzenders achter deze drie kanshebbers kunnen tijdens het Nationaal Brandveiligheidsevenement hun ideeën in het openbaar uit de doeken doen. Het publiek beslist wie naar huis gaat met de Innovatieprijs Brandveiligheid 2016.

  • U kunt uw idee voor de Innovatieprijs Brandveiligheid 2016 indienen bij Guido Lammerink van SBRCURnet, via e-mail guido.lammerink@sbrcurnet.nl De inschrijving sluit op 13 maart 2016.

NEN 6079 klaar voor gebruik

12 februari 2016

Wie de brandveiligheid van grote brandcompartimenten wil bepalen aan de hand van realistische brandscenario’s en met inzet van fysische modellen, heeft nu een officiële richtsnoer aan de NEN 6079 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten, risicobenadering’. Het NEN heeft de norm begin deze maand uitgebracht. Het normontwerp uit 2014 is ingetrokken.

De NEN 6079 biedt een probabilistische methode voor het bepalen van brandbeperking en brandbeheersing bij compartimenten die groter zijn dan de maxima in het Bouwbesluit 2012. De methode is bestemd voor industrie- en utiliteitsgebouwen en dan zowel nieuwbouw als bestaand. Slaapfuncties zoals woningen, ziekenhuizen en hotels vallen buiten het toepassingsgebied. Met gebruik van het gelijkwaardigheidsbeginsel (artikel 1.3) in het Bouwbesluit is met de NEN 6079 vast te stellen of een groter compartiment voldoet aan de functionele eisen in de artikelen 2.81/2.87 voor het beperken van brandoverslag naar de aangrenzende, al of niet fictieve bebouwing.

Dankzij het geheel probabilistische karakter van de bepalingsmethode is het mogelijk om de diverse bouwkundige, installatietechnische en organisatorische brandpreventiemaatregelen en de effectiviteit daarvan mee te wegen in het totale brandrisico. Hierin is het beperken van de omvang van een compartiment niet langer een doel op zich, maar één van de eventuele opties.

Zo wordt ook aangesloten bij de intentie van de Bouwbesluit-artikelen 2.81/2.87: compartimentering dient ‘slechts’ ter ondersteuning van de vluchtveiligheid. Als de vluchtveiligheid gegarandeerd is en de kans op brandoverslag naar belendende gebouwen is nihil, dan mag het opdelen van het gebouw in brandcompartimenten en/of het brandwerend uitvoeren van gevels en dak achterwege blijven. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor (ongecompartimenteerde) bedrijfsgebouwen die op grote afstand staan van de naburige bebouwing óf van de perceelgrens, omdat er dan geen of nagenoeg geen risico op brandoverslag bestaat.

De bepalingsmethode sluit aan op de bestaande praktijk en op de regels in de NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten’. Deze norm, verschenen in 2015, is eveneens bedoeld voor nieuwe en bestaande industrie- en utiliteitsfuncties en verlaat zich eveneens op het gelijkwaardigheidsbeginsel. De methode is echter wezenlijk anders. NEN 6060 bepaalt de brandveiligheid van een groot compartiment op basis van de berekende vuurlast en de toepassing van een van de maatregelpakketten, zoals een sprinklerinstallatie of een rook- en warmteafvoersysteem. Daarmee laat de methode ruimte aan specifieke brandveiligheidsconcepten en –voorzieningen, maar specifieke risico’s door bijvoorbeeld brandbare materialen of brandgevaarlijke activiteiten worden niet meegewogen.

Dat neemt niet weg dat zowel de NEN 6060 als de NEN 6079 zich bij uitstek lenen voor het bedenken en onderbouwen van gelijkwaardige brandveiligheidsoplossingen voor grote brandcompartimenten. En wellicht is een beroep op het gelijkwaardigheidsbeginsel over enige tijd niet eens meer nodig. De minister van Binnenlandse Zaken is van plan de beide normen direct vanuit het Bouwbesluit laten aansturen.

  • NEN 6079 is verkrijgbaar in de on-line NEN-shop. Dat geldt ook voor de NEN 6060, klik hier. De normen zijn ook te bestellen bij de NEN Klantenservice via e-mail: bestel@nen.nl of tel. (015) 2 690 391.
  • Foto: Stationshal, Delft (Mecanoo Architecten).

Netwerk voor kennis in FSE van constructies

1 februari 2016

Secure with Steel heet het Europese netwerk waarmee ArcelorMittal Europe ingenieursbureaus, brandveiligheidadviesbureaus en andere bedrijven en organisaties die zich (willen) toeleggen in Fire Safety Engineering van constructies verenigt.
Doel van het netwerk om via het uitwisselen van kennis tussen de leden de deskundigheid van deze leden op het gebied van Structural Fire Safety Engineering (SFSE) te vergroten en te verdiepen. Het achterliggende doel is een frequentere, meer grootschalige inzet in de projectpraktijk van de nog relatief jonge methodiek in het brandveilig ontwerpen en dimensioneren van (staal)constructies van gebouwen.

Het netwerk telt op dit moment zo’n 25 actieve leden in verschillende Europese landen. De kennistransitie tussen de leden wordt onder meer gestimuleerd via de Secure with Steel-jaarbijeenkomst. Tijdens deze meeting worden SFSE-cases en -projecten van leden geanalyseerd. Daarnaast organiseert ArcelorMittal Europe, als initiator van het netwerk, trainingen in het gebruik van ontwerp- en rekensoftware, zoals meerdaagse workshops met het rekenprogramma SAFIR. Daarnaast levert ArcelorMittal technisch advies en nieuws over bijvoorbeeld onderzoek, gewijzigde regelgeving, software-updates en brandproeven.

  • Foto: Anna van Bueren-toren, Den Haag. (Wiel Arets Architects). De onderste vijf lagen van dit 21-laagse gebouw vervullen publieke functies voor Leiden University College The Hague, daarboven tot aan de top op 70 m hoogte zijn 396 studentenappartementen ingevoegd. Via Fire Safety Engineering is aangetoond dat de vereiste 120 minuten brandwerendheid van de (hoofd)draagconstructie haalbaar is zonder brandwerende bescherming van de constructie, dankzij de verkozen sprinklers en reeds voorziene maatregelen aan metalstud-scheidingswanden en plafonds. Daartoe is rekening gehouden met verschillende reële scenario’s van ventilatie tijdens brand.

Gids voor goed gebruik brandwerende coatings

13 januari 2016

De informatieve hulpmiddelen voor het toepassen van brandwerende coatings op staalconstructies, toegankelijk via brandveiligmetstaal.nl – de infopage, de keuzetool en de Kwaliteitsrichtlijn Brandwerende Coatings van Bouwen met Staal – hebben gezelschap gekregen van de ‘European Industry Best Practice Guide on the Application of Intumescent Coatings to Constructional Steel’. Deze Engelstalige publicatie loodst de fabrikant van brandwerende verf, de applicateur en de gebouweigenaar (dan wel facilitymanager of andere functionele representant van de eigenaar) door de verschillende fasen van het doelmatig en doeltreffend gebruik van brandwerende verf op staalconstructies.

De 24 pagina’s tellende gids begint met een uiteenzetting van rollen en verantwoordelijkheden van de diverse betrokken disciplines en de verantwoorde selectie van de primer, de brandwerende verf en de (eventuele) topcoating om te besluiten met richtsnoeren voor beheer en onderhoud ná de applicatie.

De nieuwe Best Practice Guide is te zien als de Europese variant op de Nederlandse Kwaliteitsrichtlijn van Bouwen met Staal uit 2010. Een verschil is wel dat de Kwaliteitsrichtlijn zich nadrukkelijker richt op de applicateur. Deze richtlijn is dan ook tot stand gekomen met inbreng van de Productwerkgroep Brandwerende Coatings van Brandveilig Bouwen Nederland (BBN), de vakvereniging voor leveranciers en producenten van brandwerende materialen. In dezelfde heldere bewoordingen bedient de Best Practice Guide vooral de eigenaar. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook de eigenaar een rol en verantwoordelijkheid heeft in het effectief gebruik van brandwerende coatings. De correcte toepassing – van de productkeuze tot en met kwaliteitscontrole en onderhoud ná oplevering – zijn weliswaar primaire taken van de gebouwontwerpers, coatingproducenten en applicateurs. Maar de eigenaar dient hen daarbij (op zijn minst) te faciliteren, onder meer door de kwaliteit van de coating tijdens de gebruiksjaren van het gebouw regelmatig te laten controleren en eventuele beschadigingen tijdig te melden. Hiertoe werkt de Best Practice Guide als een handige wegwijzer.

De gids is in 2015 gepubliceerd door de European Association of Industrial Painting Contractors (EAIPC). De associatie verenigt nationale brancheorganisaties (binnen Europa) van bedrijven die actief zijn in applicatie en onderhoud van brandwerende en brandvertragende coatings (op staal- en betonconstructies). Namens Nederland is Sector Onderhoud NL Industrieel aangesloten, met ruim 90 applicatie- en toeleverende bedrijven. De bedoeling van de samenwerking binnen de EAIPC is gezamenlijk invloed uit te oefenen op de relevante Europese regelgeving en kennis uit te wisselen over onder meer opleiding en kwalificatie van applicateurs en de informatievoorziening aan eigenaren en beheerders van gebouwen.

Veehouderij investeert in brandveiligheid stallen

18 december 2015

Nederlandse veehouders hebben de afgelopen jaren diverse maatregelen getroffen om de brandveiligheid van stallen te verhogen. Dat blijkt uit de tussenrapportage van het actieplan 'Stalbranden' die eind vorige week is gepubliceerd. In het plan werken LTO Nederland, verzekeraars, brandweer, dierenartsen, Dierenbescherming en rijksoverheid samen om het aantal stalbranden in ons land te verminderen.

Het plan loopt sinds 2012 en heeft het onderwerp brandveiligheid hoger op de agenda gekregen van veehouders, toeleveranciers en andere betrokkenen bij de Nederlandse veehouderij. Veelvoorkomende oorzaken van brand in veestallen zijn kortsluiting als gevolg van onveilige apparatuur dan wel onoordeelkundig installeren en het (onvoorzichtig) gebruik van open verwarmingssystemen. De tussenrapportage wijst onder meer uit dat elektrische installaties in stallen nu vaker worden gecontroleerd en steeds meer gas- en hetelucht-heaters worden voorzien van een beveiliging tegen oververhitting. Bij nieuwbouw van stallen worden in toenemende mate extra voorzieningen getroffen om de brandveiligheid te garanderen, zeker als voor deze stallen het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij wordt geambieerd. De veehouder ontvangt dit certificaat als de veehouderij – nieuw of bestaand – voldoet aan strenge eisen op het gebied van duurzaamheid, dierenwelzijn en brandveiligheid.

De preventiemaatregelen lijken zich af te tekenen in de brandstatistieken. Sinds vorig jaar registreert de brandweer elke stalbrand in Nederland. In dat jaar werden 24 stalbranden genoteerd. Dit jaar, tot en met oktober, blijft het aantal stalbranden steken op 10.

De veehouderij-sector leunt echter niet achterover. Zo wordt gewerkt aan nieuwe detectiesystemen die rook van stof kunnen onderscheiden, waardoor vals alarm door detectie van stof wordt voorkomen. Ook wordt op dit moment een watervernevelingsinstallatie aan de tand gevoeld bij een varkensproefbedrijf in Sterksel. Daarnaast gaat de brandpreventievoorlichting aan veehouders onverminderd door. Afgelopen jaren is hierin stevig geïnvesteerd, met onder meer 35 voorlichtingsbijeenkomsten door het land.

129 miljoenen branden in 2014

4 december 2015

Voor 2015 zijn de cijfers nog niet bekend (het jaar is ook nog niet voorbij), maar voor het afgeronde 2014 heeft het Nivre de rapportage klaar. Over het afgelopen jaar komt het totaal aantal miljoenen branden op 129. Dat is nog net geen record. Alleen in 2013 waren er meer branden met een schade van 1 miljoen euro of hoger. 2003 liet hetzelfde aantal miljoenen branden noteren als 2014.

Sinds 1998 registreert het Nivre (Nederlands Instituut Van Register Experts) elk jaar de grote branden in Nederland en de bijbehorende schadebedragen. De benodigde cijfers worden verstrekt door verzekeraars en schade-experts die bij het register zijn aangesloten.

De totale schade van de 129 grote branden in 2014 bedraagt een slordige 495 miljoen euro. De schadebedragen vielen hoger uit in 2003 (636,8 miljoen), 2000 (571,1 miljoen, mede door de vuurwerkramp in Enschede) en 2001 (508,9 miljoen).

Bij 56,6% van de 129 miljoenenbranden in 2014 ligt het schadebedrag tussen 1 en 2 miljoen euro. In 14,7% van de gevallen is dat 2 tot 3 miljoen, bij 14% 3 tot 4 miljoen en bij 4,7% 4 tot 5 miljoen euro.

Verreweg de meeste branden zijn opgetekend bij gebouwen in de productiesector, zoals fabrieken, werkplaatsen en magazijnen: 28,7%. Woningen staan op de tweede plek met 11,6%, gevolgd door agrarische gebouwen (waaronder schuren, silo’s, stallen en kassen) met 10,1%, horecavestigingen met 8,5% en bedrijfspanden met 7,0%.

Vooral het westen van ons land gaat gebukt onder grote branden: 36,4% van het totaal. Midden-Nederland heeft een aandeel van 19,8%. Zuid-Nederland doet mee met 15,7%. Het meest verschoond blijft Oost-Nederland, 10,7%.

De miljoenenbranden treden vooral op in het derde kwartaal van het jaar. Over dat kwartaal telt het Nivre 37 grote branden, waaronder een brand in een fabriek in Noord-Nederland met een uitzonderlijke hoge schade van 85 miljoen euro.

  • Foto: grote, uitslaande brand bij Friesland Campina in Gerbesklooster, 29 juli 2014. Foto: DvhN.

Sandwichpaneel, géén heet hangijzer bij brand

24 november 2015

Sander Giunta d’Albani van de Technische Universiteit Eindhoven heeft de IFV-VVBA-scriptieprijs 2015 ontvangen voor zijn afstudeerwerk: ‘Fire behaviour of sandwichpanel core materials in the pre-flashover phase.’ De Eindhovense afstudeerder kreeg de prijs tijdens het Nationaal Congres Fire Safety and Science (FSS) op 4 en 5 november jl.

Het was voor de vierde achtereenvolgende keer dat het IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) en de VVBA (Vereniging van Brandveiligheidsadviseurs) de Scriptieprijs uitschreven onder eindejaarsstudenten aan Nederlandse, Belgische of hieraan gelieerde onderwijsinstellingen. De prijs is bedoeld voor scripties over brandveiligheid, ter afronding van een bachelor- of masteropleiding in 2014 of 2015. De afstudeerder die de meest innovatieve, spraakmakende, relevante dan wel fundamentele thesis levert, wint en toucheert € 1.200. Dit prijzengeld moet worden besteden aan een activiteit die gerelateerd is aan FSE (Fire Safety Engineering), zoals studieboeken of een cursus.

Dit jaar valt de keuze op het onderzoek waarmee Sander Giunta ‘dAlbani vorig jaar zijn masterstudie Building Technology aan de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven succesvol afrondde. ‘Het betreft een actueel onderwerp waarvoor veel belangstelling bestaat’, meent de jury bij monde van voorzitter Paul Verlaan (Wetenschappelijke Raad Brandweer). ‘Er is ook veel behoefte aan verder inzicht, ingegeven door recente evaluaties van grote branden. Gelet op de wetenschappelijke onderbouwing, de grote betekenis voor de brandveiligheid en de actualiteit van het onderwerp heeft de jury besloten de prijs toe te kennen aan Sander Giunta ‘dAlbani.’

Object van de winnende scriptie zijn sandwichpanelen van dunne metalen huiden en een kern van een synthetische of een mineraal materiaal. Van deze panelen wordt het gedrag belicht tijdens brand, vóór flashover. In deze fase loopt de temperatuur op van 20°C (kamertemperatuur) tot maximaal 350°C en dan kan onder het dak (van sandwichpanelen) een rooklaag ontstaan. Op grond van literatuurstudie en indicatief onderzoek concludeert de winnaar dat ‘t in deze fase niet erg waarschijnlijk is dat zich een rookgasexplosie voordoet, louter als gevolg van pyrolyse van de isolatie in de kern van het sandwichpaneel. Daarmee blijven de persoonlijke risico’s voor brandweer en hulpverleningsdiensten in deze fase minimaal. De kans op een rookgasexplosie neemt wel toe, naarmate pyrolyse plaatsvindt bij meerdere materialen tegelijk, bijvoorbeeld ook bij inrichtingsmaterialen (cumulatie van bronnen).

Pyrolyse is de ontleding van een materiaal onder invloed van hoge temperaturen. Dit proces vindt plaats zonder aanwezigheid en verbruik van zuurstof. Het treedt vooral op bij organische stoffen met een gecompliceerde moleculestructuur, waaronder hout, textiel, zware olie en vele kunststoffen. Bij verhitting van deze stoffen vindt eerst pyrolyse plaats; het voorschrijdend uiteenvallen van grotere moleculen in kleinere moculen. Daarna zorgen de ontledingsproducten (zoals gas of teer) voor de eigenlijke verbranding. De mix van rook bij brand en gas door pyrolyse kan leiden tot een rookgasexplosie.

Bij sandwichpanelen vindt pyrolyse (en daarmee een eventuele rookgasexplosie) pas plaats bij temperaturen (ver) boven 350 ºC, als ’t sowieso voor de brandweer te riskant is om het brandende gebouw binnen te gaan.

Het indicatieve onderzoek van d’Albani wijst uit dat in pre-flashoverfase wel lichte vervorming van het sandwichpaneel en enig verlies aan draagvermogen optreedt. Het is echter niet te verwachten dat de huid van het sandwichpaneel loslaat en naar beneden valt, temeer omdat de panelen doorgaans door dakgordingen worden ondersteund.
Sandwichpanelen, in welke vorm dan ook, vormen geen gevaar voor personen, zolang het gebouw en de panelen zelf volgens de voorschriften worden gebruikt, aldus d’Albani.

Sander Giunta ‘dAlbani werd bij zijn afstuderen begeleid door drie representanten van de afdeling Building Physics and Services van de TU/e: Prof.dr.ir. Jos Brouwers (hoogleraar Building Materials), dr.ir. Ariën de Korte (universitair onderzoeker) en ir. Ruud van Herpen (fellow Fire Safety Engineering). De vierde begeleider was dr.ir. Ricardo Weever, namens Brandweer Nederland.

Brandweer Twente mag vliegen

9 november 2015

Argus, de drone van Brandweer Twente, mag de lucht in. Als eerste brandweerkorps in Nederland heeft Twente een tijdelijke ontheffing gekregen voor inzet van een drone. De ontheffing volgt op een lange periode van het opleiden van grondpiloten (waarvan twee de opleiding hebben afgerond en twee de opleiding op dit moment volgen), het opstellen van procedures en een operationeel handboek waarin de risicoanalyse en veiligheidssystemen zijn beschreven. Ook is de Argus vooraf getest op het oefencomplex van de Risk Factory.

Alleen bij speciale, ernstige calamiteiten mag het onbemande toestel het luchtruim in, zoals bij een natuurbrand of een vermissing. Daarnaast gelden een vijftal voorwaarden. Vliegen met de drone ofwel het RPAS (Remotely Piloted Aircraft System) mag uitsluitend: bij daglicht, als de temperatuur boven 0º C. ligt, als het zicht meer dan 1,5 km is, als de wolken niet lager hangen dan 150 m én als de windkracht maximaal 12 m/s bedraagt (tot windkracht 6).

De drone gaat de brandweer ondersteunen bij brandbestrijding door naar de locatie van de brand te vliegen en informatie te verzamelen over de omvang van de brand en mogelijk de brandhaard te achterhalen. Hiertoe is het toestel uitgerust met een normale (foto/video-)camera en een warmtebeeldcamera. De beelden worden live gestreamd naar de laptop van de bestuurder op de grond. Vanwege de privacy wordt de informatie niet opgeslagen.

De Argus van Brandweer Twente is een multirotor Altura ATX8 van Aerialtronics die voor brandweerdoeleinden is gemodificeerd. Het toestel kan van afstand worden bestuurd en zelf terugvliegen naar de startlocatie als de verbinding is weggevallen. De 7 kg lichte brandweerkopter haalt een maximum snelheid van 40 km/uur.

Met de Brandweer Midden- en West-Brabant doet Brandweer Twente momenteel een pilot om expertise in het gebruik van de drone op te doen. Deze kennis en kunde moet ertoe bijdragen dat álle brandweerkorpsen in ons land straks met drones mogen werken.

Even voorstellen...

30 oktober 2015

De huidige directeur van de VVVF, Martin Terpstra, gaat in 2017 met pensioen, maar in zijn opvolging is al voorzien. Per 12 oktober 2015 is Jaitske Feenstra in dienst getreden als aankomend directeur.

VVVF is de belangenbehartiger van 82 ondernemingen in de verf- en drukinktindustrie. Bij deze bedrijven zijn in totaal zo’n 4.400 personen werkzaam. De VVVF zet zich onder meer voor een betere economische waarde en maatschappelijke inbedding van de producten van haar leden. Daartoe wordt onder meer deelgenomen in het programma Coatings Care. Van VVVF kreeg Bouwen met Staal de opdracht voor de ontwikkeling van de tool Brandwerende coatings op deze website.

Bij VVVF gaat Jaitske Feenstra in eerste instantie de portefeuille Technologische Innovatie beheren. Daarnaast gaat ze fungeren als branchecoördinator van de VLK, de branchevereniging van de Nederlandse lijm- en kitindustrie. Als aanstaand directeur zal zich samen met Martin Terpstra buigen over de structuur van de vereniging VVVF. ‘De efficiency waarmee specialisten uit de achterban worden gemobiliseerd voor verenigingsactiviteiten, is (en wordt) de bepalende factor voor een succesvol opererende VVVF.’, aldus het VVVF-persbericht.

Jaitske is al meer dan 25 jaar actief voor bedrijven en brancheorganisaties binnen de Nederlandse industrie. Zo werkte ze als communicatiemanager en daarna als branchecoördinator voor de brancheorganisatie voor kunststoffen. Sinds 2000 runt ze haar eigen communicatie- en projectenbureau. Vanuit dit bureau heeft ze bijvoorbeeld twee Europese technologische onderzoeksprojecten voorgezeten.

Jaitske Feenstra is blij met de aanstelling: ‘Enkele jaren geleden heb ik voor de VLK gewerkt en heb toen ook de VVVF leren kennen. Dat sprak me erg aan. Het zijn innovatieve bedrijven met aansprekende producten. Ik zie het als een mooie uitdaging om deze industrietak te vertegenwoordigen.’

Drie dinsdagen constructieve brandkennis

14 oktober 2015

Kennis heb je in verschillende vormen: declaratieve kennis (de feiten en begrippen op zichzelf, om te onthouden), procedurele kennis (het vermogen om deze feiten en begrippen te vergaren, op te slaan en weer op te roepen) en strategische kennis (de bekwaamheid om de verworven informatie doeltreffend en doelmatig in te zetten). Deze kennismodaliteiten zijn – als het gaat om brandveilige staal- en staal-betonconstructies – voor u samengebald in de driedaagse cursus ‘Brand en brandveiligheid van staal- en staal-betonconstructies.

De eerste cursusdag, dinsdag 10 november a.s., vult vooral uw declaratieve en procedurele bagage. Ralph Hamerlinck (brandveiligheidsadviseur bij Bouwen met Staal en Adviesbureau Hamerlinck) presenteert dan de verschillende concepten voor brandveilige gebouwen, de eisen voor hallen en verdiepinggebouwen volgens Bouwbesluit 2012 en de diverse oplossingen voor brandwerende constructies, zowel mét als zonder aanvullende brandwerende bescherming. Ook gaat hij in op belastingen bij brand volgens EN 1991-1-2 en de mogelijkheden van Fire Safety Engineering (FSE). De introductiedag vormt de opmaat voor (meer) strategische kennis over het ontwerpen en detailleren van staal- en staal-betonconstructies tijdens de beide vervolgdagen.

Op dinsdag 17 november zet Tim van der Waart van Gulik (projectleider Fire Engineering bij Efectis Nederland) samen met Ralph Hamerlinck uiteen hoe je rekent aan staal en brand volgens EN 1993-1-2 en hoe je FSE toepast in de projectpraktijk. Hierbij worden ook de geschikte ontwerp- en rekentools gedemonstreerd die veelal gratis voorhanden zijn op brandveiligmetstaal.nl, waaronder Ozone (voor het bepalen van de temperatuurontwikkeling bij natuurlijke brand en de thermische respons van de staalconstructie, op basis van EN 1991-1-2) en CaPaFi (voor berekening van de opwarming van staalconstructiedelen bij branden in parkeergarages, eveneens volgens EN 1991-1-2).

De afsluitende cursusdag, dinsdag 24 november, kent een vergelijkbare opzet. Het docentenduo Rob Stark (directeur/constructief ontwerper bij IMd) en Ralph Hamerlinck behandelt het rekenen aan staal-betonconstructies bij brand volgens EN 1994-1-2 en toont de opties van de rekentools Potfire (betongevulde buiskolommen), Gligger (geïntegreerde stalen liggers) en MACS+ (staalplaat-betonvloeren met stalen liggers). De demo van MACS+ wordt ingeluid met een verklaring van het fenomeen membraanwerking bij staalplaat-betonvloeren op stalen liggers en hoe u daardoor kunt besparen op brandwerende bescherming van de vloerconstructie.

Voor deelname aan de driedaagse cursus betaalt u als lid van Bouwen met Staal € 1.195. Bent u geen lid, dan komt u op € 1.395 (tenzij u eerst even snel lid wordt). De prijzen zijn exclusief BTW, maar inclusief een fors informatiepakket met daarin de syllabus met de powerpointsheet, het achtergronddocument en de ontwerphandleiding bij MACS+, het rapport ‘Veilige Waarden voor de kritieke staaltemperatuur bij ontwerp en aanbesteding’ (Bouwen met Staal, 2015) én de Eurocode-boeken ‘Brand (Eurocode 3)’ en Staal-beton (Eurocode 4)’. Gezamenlijk vertegenwoordigen deze twee boeken een winkelwaarde van € 145,00. Op de koop toe ontvangen deelnemende constructeurs 8 KE/PE-punten (permanente-educatiepunten) voor het Constructeursregister.

  • Het cursusprogramma en het aanmeldingsformulier vindt u hier.
  • Foto: Het Timmerhuis, Rotterdam (OMA, foto: DMS).

Als de brandweer...

2 oktober 2015

De Nederlandse brandweer had in 2014 gemiddeld 7,4 minuten nodig om bij een brand te komen. Dat is even snel als in 2013, zo blijkt uit de jaarcijfers die het CBS twee dagen geleden heeft gepubliceerd. In 2014 rukten brandweereenheden gemiddeld na 2,8 minuten uit en waren daarna zo’n 4 minuten onderweg. De meldkamer van de brandweer alarmeerde de eenheid in gemiddeld 0,6 minuten. Deze tijden brengen de zogeheten gemiddelde responstijd op 7,4 minuten.

De responstijd is langer naarmate korpsen meer drijven op vrijwilligers in plaats van beroepskrachten, aldus het CBS-onderzoek. Vrijwilligers hebben doorgaans meer tijd nodig om op de kazerne te komen. Langere responstijden gelden ook voor korpsen in dunner bevolkte regio’s, vanwege de grotere rijafstanden.

De brandweer van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is in 2014 gemiddelde het snelst ter plekke. Het korps laat een gemiddelde responsetijd van 6 minuten noteren. Daarvan bedraagt de gemiddelde alarmeringstijd 0,3 minuten, de gemiddelde uitruktijd is 1,7 minuten en de gemiddelde rijtijd 4 minuten. Alleen op rijtijd moet Rotterdam-Rijnmond zijn meerdere erkennen in Zuid-Holland-Zuid en Zaanstreek-Waterland. Deze regio’s zetten 3,5 minuten op de klok. In 2013 zat Rotterdam-Rijnmond ook in de kopgroep. Amsterdam-Amstelland was toen gemiddeld het snelst; Veiligheidsregio Zeeland haalde de kortste rijtijd.

  • De CBS-statistiek ‘Reactietijden van de brandweer, regio’ is te raadplegen op CBS StatLine

NEN 6060 brandveiligheid grote brandcompartimenten gepubliceerd

18 september 2015

Bij NEN is NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote brandcompartimenten’ verschenen. De norm is de vertaling en tegelijkertijd herziening van het reken- en beslismodel ‘Beheersbaarheid van Brand’, in 2007 uitgebracht door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van de ‘Handreiking grote brandcompartimenten’ van het Ministerie van VROM, eveneens uit 2007. De definitieve NEN 6060 vervangt het normontwerp van 2013.

NEN 6060:2015 biedt in het kader van het gelijkwaardigheidsartikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 een methode met maatregelpakketten voor het bepalen van de brandveiligheid van brandcompartimenten die de grenswaarden van het Bouwbesluit overschrijden. Hierdoor is een brandveiligheidsniveau haalbaar dat correspondeert met de prestatie-eisen voor ‘gewone’ brandcompartimenten in het Bouwbesluit (gelijkwaardigheid). De norm biedt vier pakketten (I t/m IV) voor het beperken van de uitbreiding van brand. Op het aspect ‘vluchtroutes’ zijn zes pakketten opgenomen, voor de gelijkwaardige invulling van de toelaatbare loopafstand tot de uitgang van het brandcompartiment.

De nieuwe norm is te gebruiken bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw, maar dan uitsluitend voor ‘niet-slaapfuncties’. Buiten het toepassingsgebied vallen brandcompartimenten waarin wordt overnacht (zoals bij woningen en hotels) en brandcompartimenten waarin niet-zelfredzame personen vertoeven (ziekenhuizen, verpleeghuizen). De uitzondering hierop is maatregelpakket IV (sprinklers). Gebruik van de norm kan in de praktijk met zich mee brengen dat de betrokken brandcompartimenten onderhevig zijn aan een gebruiksbeperking.

Net als bij Beheersbaarheid van brand 2007 wordt de maximale grootte van een brandcompartiment volgens NEN 6060 bepaald met een berekening van de vuurlast. Hierin zijn de effecten van installatietechnische maatregelen (zoals een sprinklerinstallatie, of rook- en warmteafvoersysteem) verdisconteerd. In vergelijking met Beheersbaarheid van brand maakt de nieuwe norm nu helder onderscheid tussen nieuwbouw en bestaande bouw en de verschillende gebouwfuncties. Daarnaast sluit de norm aan op de huídige Bouwbesluit-waarden voor de omvang van brandcompartimenten. (Zo zijn volgens Bouwbesluit 2012 bij nieuwbouw van industriefuncties brandcompartimenten tot 2.500 m2 toegestaan. In het Bouwbesluit 2003 was dat 1.000 m2). Deze twee verbeteringen brengen met zich mee dat bij nieuwe industriële gebouwen ook een hogere vuurlast mag worden aangehouden dan bij andere functies.

Ook de toepassing van een sprinklerinstallatie wordt in de nieuwe norm beter gewaardeerd. Hierdoor kan in een compartiment mét sprinklers worden uitgegaan van een hogere vuurbelasting dan in een compartiment van dezelfde grootte, zónder sprinklers.

De methode voor het bepalen van de weerstand tegen brandoverslag (vanuit grote compartimenten) in de nieuwe norm sluit, vergeleken met Beheersbaarheid van Brand, beter aan bij NEN 6068 (voor kleine compartimenten).

De zes maatregelpakketten voor veilig vluchten bieden handvatten voor gelijkwaardige ontvluchtingsmogelijkheden binnen een groot brandcompartiment.

De bepalingsmethode van NEN 6060 is geënt op op het eenvoudige principe dat 1 kg hout per m2 1 minuut brandt, zonder het specifieke risico van de brandbare materialen, omstandigheden en activiteiten te beoordelen. Voor het bepalen van de brandveiligheid van grote compartimenten op grond van brandrisico’s (met het daadwerkelijk in kaart brengen van de risico’s in de verschillende stadia van brandontwikkeling en mogelijk inzet van fysische brandmodellen) dient NEN 6079. Deze norm is in februari 2014 als ontwerp uitgebracht en verschijnt naar verwachting eind 2015 als definitieve norm.

Met de NEN 6060 en NEN 6079 beschikken ontwerpers en adviseurs nu over een doortimmerd en up-to-date instrumentarium voor het bedenken en onderbouwen van gelijkwaardige brandveiligheidsoplossingen voor grote brandcompartimenten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken is voornemens de beide normen voor nieuwbouw aan te sturen vanuit het Bouwbesluit.

Aan beide normen is meegewerkt door vertegenwoordigers van onder meer brandadviesbureaus, brandweer en Bouwen met Staal.

  • Foto: Werkgebouw Zuid, gemeente Apeldoorn (Courage Architecten en Mies Architectuur), foto: Ian Beck.

Brandveilige stal? Dat kan.

3 september 2015

Per wijziging van het Bouwbesluit, in april 2014, gelden wettelijke eisen voor de brandveiligheid van veestallen ofwel: ‘lichte industriefuncties voor het bedrijfsmatig houden van dieren.’ Desondanks is de brandveiligheid van deze stallen voor (soms aanzienlijke) verbetering vatbaar, zo blijkt ook uit recente stalbranden. Een veelvoorkomende oorzaak is kortsluiting, als gevolg van toepassing van onveilige apparatuur en/of onoordeelkundig installeren. Daarnaast blijken brandgevaarlijke werkzaamheden (zoals lassen en slijpen) en het gebruik van open verwarmingssystemen (bijvoorbeeld gas- of hetelucht-heaters om de vleeskuikens warm te houden) dikwijls de opmaat naar brand. Om veehouders te ondersteunen bij het brandveilig(er) maken van hun stal zijn nu in de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) een twintigtal brandveiligheidsmaatregelen opgenomen. De maatregelen zijn deels bedoeld om het ontstaan van brand te voorkomen, een andere deel is gericht op het voorkomen en beperken van de uitbreiding van brand.

De maatregelen zijn inzetbaar bij bestaande én nieuwe stallen. In geval van nieuwbouw biedt de MDV de veehouder al in de vroegste ontwerpfase houvast bij brandveilige afwegingen en keuzes. Zo is ’t veelal veiliger om voer en strooisel of machines in een apart compartiment onder te brengen, separaat van de dierenverblijven. Uiteraard dient wel rekening te worden gehouden met branddoorslag en -overslag.

De brandveiligheidsmaatregelen zijn bestemd voor alle segmenten van de veehouderij. Voor bepaalde diercategorieën zijn enkele specifieke maatregelen verwerkt. Bij elke maatregel staan de voorwaarden voor uitvoering, waardoor op het betreffende onderdeel punten te verdienen zijn. Deze punten tellen mee voor het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij. De veehouder krijgt dit certificaat als de stal voldoet aan strenge (duurzaamheids)eisen op de thema’s: ammoniakemissie, energie, fijnstof, bedrijf&omgeving, diergezondheid, dierenwelzijn en brandveiligheid. Op elk thema moet een minimaal aantal punten worden gehaald. Of de stal inderdaad aan de eisen voldoet, wordt gecontroleerd aan de hand van het (definitieve) stalontwerp en na ingebruikname.

Het certificatiesysteem bestaat sinds 2007. Tot en met 2013 zijn in totaal 3.066 certificaten verstrekt aan bestaande veestallen en 973 aan stallen in aanbouw. Het certificaat geeft de veehouder toegang tot de fiscale regelingen MIA en Vamil. Eigenaren van gecertificeerde melkveestallen kunnen bovendien deelnemen in de Regeling Groenprojecten. De Maatlat wordt jaarlijks door beheerder SMK geëvalueerd en waar nodig herzien.

  • www.maatlatduurzameveehouderij.nl
  • Ook zo’n informatieve hulpverlener op het gebied van brandveilige veestallen is www.checklistbrand.nl. Deze website met vragenlijst voor de veehouder werd eind vorig jaar gelanceerd door het Verbond van Verzekeraars in samenwerking met Brandweer Nederland, VNO/NCW en MKB-Nederland.
  • Foto: Pluimveestal Neplenbroek, Raalte; FH Loohuis BV.

Op weg naar uniforme norm voor integrale brandveiligheid parkeergarages

18 augustus 2015

Woensdagmiddag 16 september a.s. organiseert NEN een interessante informatiebijeenkomst rond de geplande ontwikkeling van een norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages. Deze norm moet een uniforme methode gaan bieden voor analyse en vaststelling van de werkelijke risico’s op het ontstaan en de uitbreiding van brand in parkeergarages, zowel ondergronds als geheel of gedeeltelijk bovengronds. De norm gaat aansluiten op het ‘risicodenken’ zoals onder meer door het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt omarmd en gepropageerd.

De behoefte aan een eenduidige bepalingsmethode vindt zijn oorsprong in een veelvoorkomende discrepantie tussen de huidige brandregelgeving voor parkeergarages en de projectpraktijk. Het Bouwbesluit 2012 merkt parkeergarages aan als ‘overige gebruiksfunctie’, waarbij een brandcompartiment maximaal 1.000 m2 mag bedragen. Deze beperking geldt voor zowel gesloten garages als (deels) open, natuurlijk geventileerde parkeervoorzieningen. In de praktijk is deze limiet veelal een ‘heet hangijzer’. Bij parkeergarages kunnen relatief kleine compartimenten economisch gezien ongunstig uitpakken (hogere uitvoeringskosten, groter beslag op parkeerbeheer). Ook zijn ze uit het oogpunt van logistiek en sociale veiligheid minder gewenst.

Om grotere compartimenten mogelijk te maken, wordt daarom een beroep gedaan op het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij dient bij het bevoegd gezag te worden aangetoond dat de garage (ten minste) eenzelfde brandveiligheidsniveau haalt als bij strikte toepassing van de Bouwbesluit-voorschriften. Dat gelijkwaardige niveau is te bereiken door inzet van bijvoorbeeld een ventilatiesysteem, rookbeheersingssysteem, brandmeld- of sprinklerinstallatie of een combinatie van dergelijke maatregelen.
Elk beroep wordt (uiteraard) getoetst aan de prestatie-eisen in het Bouwbesluit. Dat brengt met zich mee dat, verspreid over ons land, gelijkwaardigheidsvoorstellen met overeenkomstige doelen en met dikwijls overeenkomstige oplossingen toch vaak verschillend worden beoordeeld en tot verschillende uitkomsten leiden.

Een nieuwe, integrale norm dient deze pluriformiteit een halt toe te roepen. Voor de toepassing van de verschillende brandveiligheidsconcepten zal de norm onderscheid maken tussen ondergrondse en (semi-)bovengrondse garages. Waar relevant, zal de norm aansluiten op bestaande normen, waaronder in elk geval de NEN 6060 ‘Brandveiligheid Grote brandcompartimenten’, NEN 6079 ‘Brandveiligheid van grote brandcompartimenten, risicobenadering’ en NEN 2443 ‘Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in garages’.

De informatiebijeenkomst van 16 september bij NEN in Delft dient als eerste, publieke aanzet tot het normalisatiewerk. Tijdens de meeting worden noodzaak en nut van de integrale brandveiligheid van parkeergarages op grond van risicoanalyse én van de toekomstige norm uit de doeken gedaan door Michiel Rhoen (Veiligheidsregio Utrecht), Nico Scholten (ERB), Peter van de Leur (DGMR), Wim van Vlieren (Q-Park) en Ralph Hamerlinck (Bouwen met Staal en Normcommissie brandveiligheid bouwwerken).

Tijdens de discussie kunnen inleiders en deelnemers hun wensen en verwachtingen van de nieuwe norm kenbaar maken. Wie straks aan de normontwikkeling een inhoudelijke bijdrage wil (en kan) leveren, meldt zich aan voor de projectgroep. Dit expertise-platform gaat opereren onder auspiciën van de Normcommissie brandveiligheid bouwwerken. Deelname aan de groep staat vooral open voor exploitanten van parkeergarages, brandveiligheidsadviseurs en medewerkers van brandweer en bouwtoezicht, certificerende instellingen, onderzoek- en kennisorganisaties en landelijke (branche-)organisaties van producenten en leveranciers van installatietechnische en bouwkundige brandveiligheidsvoorzieningen.

Meer informatie over deelname en werkwijze van de groep volgt tijdens de informatiebijeenkomst. Vooraf ontvangen de deelnemers aan de informatiebijeenkomst het concept-normontwikkelingsplan. Dat gebeurt ná aanmelden voor de bijeenkomst op www.nen.nl/evenementen. Het programma van de bijeenkomst en aanvullende informatie is hier te vinden. Deelname aan de bijeenkomst is gratis.

  • Foto: Het nieuwe gemeentehuis van Hardenberg (geopend in juni 2013) beschikt over een ondergrondse, drielaagse parkeergarage met 468 parkeerplaatsen en enkele oplaadpunten voor elektrische auto’s. Omwille van de openheid is de gehele parkeergarage uitgevoerd als één brandcompartiment. Hiertoe heeft Nieman Raadgevende Ingenieurs gekozen voor een gelijkwaardig brandveiligheidsconcept met een sprinklerinstallatie in de garage en in het bovenliggende stadhuis. Met CFD-berekeningen is aangetoond dat de garage voldoende wordt geventileerd. Foto: Homij Technische Installaties.

Tweede Kamer stemt in met Omgevingswet

10 juli 2015

Met een ruime meerderheid heeft de Tweede Kamer afgelopen week de Omgevingswet aangenomen. De wet moet in 2018 in werking treden en een streep zetten door de versnipperde en complexe regelgeving die veelal in langdurige procedures resulteert. ‘In de Omgevingswet gaan 26 sectorale wetten op. Hierdoor hebben we straks één loket en één vergunning’, stelt de verantwoordelijke minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu. ‘Het aantal regels wordt kleiner en de procedures korter. Bovendien biedt de wet meer keuzevrijheid aan ondernemers en particulieren en nodigt uit tot ontwikkeling en experiment.’

De Omgevingswet maakt ’t bijvoorbeeld eenvoudiger om bestemmingsplannen tijdelijk te wijzigen. Hierdoor wordt bijvoorbeeld de procedure voor tijdelijke verplaatsing van winkels vanwege verbouwing teruggebracht van 26 weken naar zo’n 8 weken. Ook de opties van vergunningvrij aan- of uitbouwen of het plaatsen van bijgebouwen worden verruimd. Zo is voor een extra woongelegenheid voor mantelzorg op het achtererf van de woning niet langer een vergunning vereist. Een hoofdgebouw mag voortaan vergunningvrij worden uitgebreid met 4 m. Dat was 2,5 m. De Omgevingswet biedt volgens het Rijk meer ruimte om te experimenteren. Bij nieuwe (bouw)methoden en technieken die stuiten op de grenzen van de regelgeving, kan de experimenteerbepaling soelaas bieden.

Ook al is de wet pas over drie jaar van kracht, het Rijk maakt vaart met de implementatie van de nieuwe regels. Over de organisatie en inhoud hiervan is overeenstemming bereikt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interdepartementaal Provinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen. De afspraken met deze koepelorganisaties zijn op 1 juli bekrachtigd met een bestuursakkoord.

Naar de kosten van de Omgevingswet (invoering, toezicht, handhaving) wordt op dit moment onderzoek gedaan. Over de financiering spraken PvdA en SP een maand geleden nog hun zorgen uit. Eerder onderzoek naar de wet geeft aan dat de uiteindelijke totale baten van de Omgevingswet beduidend hoger zullen uitvallen dan de totale kosten. De lopende kostenstudie wordt naar verwachting eind dit jaar afgerond.

  • www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet
  • De inhoud van de wet, artikelsgewijze toelichtingen, de parlementaire stukken, een dossier over de stelselherziening omgevingsrecht en wetenswaardige jurisprudentie is verzameld op: www.omgevingswet.nl
  • Foto: uitbreiding vrijstaande woning met extra verdieping, Rotterdam (Architéma Architectuurstudio). Gezien de omvang blijft voor dit soort toevoegingen een (omgevings)vergunning benodigd.

'Niets doen is geen optie'

2 juli 2015

Ouderen zijn kwetsbaar bij brand. Onderzoek, zoals al in 2007 door de Brandweeracademie, brengt onder meer aan het licht dat in ons land ruim 2,5 keer zoveel dodelijke slachtoffers bij brand vallen onder de 65-plussers dan onder de mensen die jonger zijn dan 65 jaar. Met de groeiende vergrijzing van de Nederlandse bevolking zal, als gerichte acties uitblijven, het aantal slachtoffers onder ouderen waarschijnlijk verder toenemen. Reden genoeg voor de Brandweeracademie en de Nederlandse Brandwonden Stichting om gezamenlijk onderzoek te doen naar de invloed van de vergrijzing op de brandveiligheid voor senioren.

Het onderzoek bestaat uit drie delen. Het eerste deel is onlangs afgerond en vastgelegd in een IFV-rapport dat hier als PDF is te downloaden. Tijdens deze eerste studie hebben Eva van Zoonen (Nederlandse Brandwonden Stichting) en René Hagen (Brandweeracademie) de omvang van de problematiek in kaart gebracht. Die omvang blijkt – zowel positief als negatief – te worden beïnvloed door de vergrijzing in het algemeen, maar ook door het langer zelfstandig wonen en het langer vitaal zijn van ouderen.

Deel twee van het onderzoek moet inzicht gaan bieden in de oorzaken en toedrachten. Zijn ouderen vaker het slachtoffer van brand omdat ze vaker brand veroorzaken, verkeerd reageren bij brand, speelt de verminderde zelfredzaamheid (bij vluchten) een rol óf geeft een combinatie van een of meerdere van deze factoren de doorslag? De antwoorden op deze vragen vormen het vertrekpunt voor het afsluitende deel van het onderzoek naar mogelijke, doeltreffende interventies, de ‘oplossingsrichtingen’ om senioren eenzelfde brandveiligheid te bieden als de jongere populatie.

In de loop van dit jaar brengen de onderzoekers hun bevindingen rond de oorzaken en oplossingen naar buiten. Eén ding is al zeker: ‘niets doen is geen optie’, zoals IFV ’t in haar persbericht verwoord.

Monteur Expert Brandveiligheid Register

24 juni 2015

'Natuurlijk gebruik je voor de brandveiligheid van constructies beproefde kwaliteitsproducten. Maar wat als de montage, de toepassing in de praktijk, onoordeelkundig verloopt? Dan laat de brandveiligheid van je constructie als geheel uiteindelijk toch nog te wensen over.' Zo ‘integraal’ moet Joris Witlox gedacht hebben toen hij het initiatief nam tot het Monteur Expert Brandveiligheid Register. Het MEB-register is ondergebracht bij de Stichting Register Montage Expert Brandveiligheid (MEB) dat sinds 30 april 2015 operationeel is. Met het register wil de stichting de kwaliteit en deskundigheid van de montage van brandwerende producten, zoals brandwerende doorvoeringen, plaatmateriaal en mortel, bevorderen en beschermen.

Monteurs, zelfstandig werkend of in loondienst, kunnen zich inschrijven in het register mits ze voldoen aan de kennis- en ervaringscriteria van de stichting. Kandidaten dienen aan te tonen dat ze een afdoende theoretische en praktische opleiding hebben genoten én minimaal één jaar voor ten minste 50% werkzaam zijn in het vakgebied. Daarnaast moeten ze bereid zijn hun werk te laten beoordelen door onafhankelijke controleurs.

De deelnamecriteria worden voortdurend gewogen en desgewenst aangepast in overleg met branche-/belangenorganisaties van onder meer producenten, brandweer, verzekeraars, gebouweigenaren en opleidingsinstituten. Wie aan de criteria voldoet, mag de titel ‘MEB’ achter de naam voegen.

Om de deskundigheid van de geregistreerde monteurs op peil te houden en verder te verbeteren, organiseert de stichting diverse (bij)scholingsactiviteiten. Ook onderzoekt de stichting de kwaliteit van het bestaande educatie-aanbod op het gebied van brandveiligheid en draagt graag bij aan het formuleren van minimale opleidingseisen. Opleidingen die de stichting goedkeurt, brengen zowel de theorie als de praktijk van brandveilig monteren over het voetlicht: van normen en richtlijnen tot en met lezen van testrapporten en bouwtekeningen.

Nieuw kennisportal voor eigenaren en beheerders van gebouwen

14 juni 2015

Eigenaren van gebouwen zijn hoofdverantwoordelijk voor de brandveiligheid van hun gebouwen en daarin aanwezige inventaris, medewerkers en bezoekers. Het is dan ook a priori aan de gebouweigenaar om een visie op brandveiligheid te ontwikkelen, brandveiligheidsbeleid te formuleren en passende, doeltreffende brandveiligheidsmaatregelen te initiëren. Voor de vertaling van beleid naar maatregelen kan de eigenaar terecht bij adviseurs, brandweer, verzekeraars, branche- en kennisorganisaties en talrijke, uiteenlopende publicaties (van websites en -tools tot rapporten en brochures). Op 9 maart jl. is daar – speciaal voor gebouweigenaren en -beheerders – een informatieve ‘eerste-hulpverlener’ bijgekomen: www.brandveiliggebouw.nu.

SBRCURnet heeft dit onafhankelijke portal vervaardigd in samenwerking met BBN, NEN, NOVB, LBP|Sight, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Bouwen met Staal en leveranciers Gerco, Promat en Rockwool. De website geeft antwoord op vragen die veelal leven bij eigenaren en beheerders als ze hun brandveiligheidsdoelen moeten bepalen en staan voor de keuze van een brandveiligheidsconcept. De vragen en antwoorden zijn gerubriceerd onder thema’s (waaronder bouw- en verbouwvoorschriften, bedrijfshulpverlening en brandwerendheid materialen & constructies), gebouwsoorten (gebouwfuncties) en gebouwstaat (ontwerp, bouw, gebruik, verbouw).

Uiteraard zijn de vragen ook allemaal vindbaar via de vrije-zoekfunctie op de site. Een willekeurige greep: ‘Wat heeft de gemeente of de brandweer te zeggen over de brandveiligheid in mijn gebouw?’, ‘Wat is het doel van een sprinklerinstallatie?’ ‘Hoe zorg ik ervoor dat de brandwerendheid van een wand behouden blijft?’ en ‘Is de stalen gevel van mijn industriehal wel voldoende brandwerend?’ De antwoorden zijn afgestemd op de kennis en informatiebehoeften van de gebouweigenaar. Kort, bondig en in algemene bewoordingen worden de essenties van het onderwerp en de meest relevante aspecten van regelgeving, vergunning en handhaving, brandveiligheidsrisico’s en -aandachtspunten uit de doeken gedaan. Bij de antwoorden gaan verwijzingen naar ‘kennisproducten’ van SBRCURnet en de organisaties en bedrijven die hebben meegewerkt aan www.brandveiliggebouw.nu.

CE-markering en private kwaliteitsborging

5 juni 2015

13 Mei jl. is de ministerraad akkoord gegaan met het voorstel van minister Blok voor de ‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’. Het voorstel ligt nu voor advies bij de Eerste Kamer (zie ook het onderstaande nieuwsbericht van 18 mei jl.). Naar verwachting treedt de wet volgend jaar in werking. Vanaf dat moment mogen ook private ondernemingen, zoals aannemingsbedrijven en ingenieursbureaus, de kwaliteit van bouwwerken beoordelen en bewaken. Welke rol kan de (product)informatie bij bouwproducten met CE-markering spelen in deze private kwaliteitsborging? CE- en bouwkwaliteitsadviseur dr.ir. C.C.A.M. (Casper) van den Thillart, voorheen werkzaam bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en VROM, geeft de antwoorden op deze vraag in het Rapport deel A en B, CE-markering en Private kwaliteitsborging.

Na behandeling van de eisen voor toepassing van CE en enkele pilots concludeert Van den Thillart dat CE tezamen met de vereiste aansluitdocumenten inderdaad in een beperkt aantal gevallen kan dienen als kwaliteitsborgingsinstrument. Het Instituut voor Bouwkwaliteit (iBK) voegt toe dat hierbij altijd lokale aspecten moeten worden beoordeeld, door een terzake kundige persoon. Ook Van den Thillart voert dit item op in zijn advies om bij componenten met een relatief zwakke borging vanuit het product tevens toezicht op de bouwplaats uit te voeren. Verder bepleit Van den Thillart de samenstelling van een toolbox met daarin de diverse instrumenten of onderdelen daarvan voor de kwaliteitsborging. Ook bestaande hulpmiddelen, zoals praktijkrichtlijnen en SBR-referentiedetails, kunnen in deze toolbox worden opgenomen. Testmethoden voor de technische duurzaamheid van bouwwerken, bedoeld voor borging van blijvende prestaties, moeten een positie krijgen in de private kwaliteitsborging, vindt Van den Thillart. Het gaat immers niet alleen om de kwaliteit bij oplevering, maar ook om het goede functioneren van het bouwwerk op de langere termijn.

In de powerpointpresentatie Kwaliteitsborgingsinstrumenten op basis van CE-markering geeft Van den Thillart uitleg over de positie en werking van CE en over de conclusies in het rapport.

  • Het voorstel voor de Wet kwaliteitsborging is nog niet openbaar. Wel heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken onlangs een document uitgebracht met (op hoofdlijnen) de publieke opmerkingen op de in juni 2014 gepubliceerde consultatieversie van het wetsvoorstel en de ministeriële reacties en acties hierop. Document en consultatieversie tezamen geven een betrouwbare impressie van het wetsvoorstel zoals dit nu in bij de Raad van State in behandeling is. Beide publicaties zijn hier te vinden (www.stichtingibk.nl)

Norm voor beheer, controle en onderhoud van brandmeldinstallaties herzien

27 mei 2015

Op 1 mei heeft het NEN de herziene versie uitgebracht van NEN 2654-1 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties – Deel 1: Brandmeldinstallaties’. Deze norm geeft de eisen en richtsnoeren voor zelfstandig werkende brandmeldinstallaties (BMI’s) in gebouwen. Bij deze installaties zijn apparatuur en bekabeling niet geïntegreerd met andere installaties. De norm is bedoeld voor brandmeldinstallaties ínclusief de aansturingen van de brandmeldcentrale naar de besturings- en doormeldapparatuur. NEN 2654-1 is ‘familie’ van NEN 2535. Hierin staan de eisen voor programmering, ontwerp, uitvoering, compatibiliteit en kwaliteit van brandmeldinstallaties. NEN 2535 dateert van 2009 (met een correctieblad uit 2010), een herziening is op handen.

De 2654-1:2015 is de opvolger van de uitgave van 2002. In de herziene versie zijn de definities van NEN 2535 verwijderd (mede vanwege de aanstaande aanpassing van deze norm). De taken van de beheerder zijn aangepast en de werkzaamheden die de beheerder uitbesteedt, zijn beter benoemd. De taken van het onderhoudsbedrijf zijn waar mogelijk omschreven als prestatie-eis. Een model-onderhoudsplan en een model-rapport voor periodieke controle door de beheerder zijn aan de norm toegevoegd. Ook nieuw zijn een richtlijn voor beheer, controle en onderhoud op afstand en een richtlijn voor het uitschakelen van (delen van) de brandmeldinstallatie.

Voor de eisen aan componenten van de installatie (zoals automatische rookmelders, akoestische en optische signaalgevers, brandmeldcentrale en doormeldapparatuur) verwijst NEN 2654-1, net als NEN 2535, naar EN 54 ‘Fire detection and fire alarm systems’. Deze serie Europese productnormen wordt op dit moment geschikt gemaakt voor toepassing in het kader van de Richtlijn Bouwproducten en de bijbehorende CE-markering. De NEN-commissie Brandmeldsystemen 351 086 – verantwoordelijk voor de herziene 2654-1 – fungeert bij de harmonisatie van de EN 54-serie als sparringpartner van CEN/TC 72 ‘Automatic fire detection systems’.

  • NEN 2654-1 kunt u inzien en bestellen in de NEN-Normshop.
  • Foto: Nusman Installatietechniek.

Ministerraad akkoord met wetsvoorstel kwaliteitsborging bouw

18 mei 2015

De ministerraad heeft afgelopen week ingestemd met het voorstel voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Het voorstel, afkomstig van minister Blok van Wonen en Rijksdienst, gaat nu voor advies naar de Raad van State. Bij indiening bij de Tweede Kamer worden de tekst van het wetsvoorstel en het advies van de Raad van State openbaar. De consultatieversie van het voorstel van 25 juni 2014 is voor een ieder toegankelijk op www.internetconsultatie.nl
De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen gaat vanaf volgend jaar de kaders bieden voor een nieuw stelsel van kwaliteitsborging van diverse categorieën bouwwerken in ons land. Het huidige systeem is volgens het Rijk toe aan herziening vanwege de toegenomen complexiteit binnen de bouw (bouwprocessen, bouworganisatievormen, contractvormen), de onheldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden én de noodzaak tot positieve prikkels voor bedrijven in de bouwsector.

Kern van het nieuwe stelsel is dat private partijen in de bouw, zoals bouwondernemingen, architecten- of ingenieursbureaus, de kwaliteitsbewaking in veel gevallen overnemen van de gemeenten. Als het bouwwerk onder het stelsel valt, wordt de private partij (als aanvrager van de bouwvergunning) zelf verantwoordelijk voor de toetsing van het bouwplan aan de bouwtechnische eisen in het Bouwbesluit. Ook de kwaliteitscontrole tijdens de bouw is aan de private partij. De gemeente beperkt zich tot het verstrekken van de vergunning. Daarbij blijft de gemeente het bouwplan wel toetsen op het bestemmingsplan, lokale welstandseisen en de veiligheid voor de omgeving. Ook controleert de gemeenten of de private bouwpartij werkt met het juiste, ‘toegelaten’ borgingsinstrument. De private partij kiest zo’n borgingsinstrument afhankelijk van de ‘gevolgklasse’ waartoe het bouwwerk behoort. Zo is voor een bouwplan in gevolgklasse 3 (bijvoorbeeld voor relatief complexe hoogbouw) een zwaarder instrument vereist dan voor een plan in gevolgklasse 1 (bijvoorbeeld nieuwbouw van grondgebonden woningen). Het borgingsinstrument stelt de voorwaarden aan het bouwproces, de toepassing van bouwproducten en de inzet van bouwpersoneel. Een onafhankelijke, publieke toelatingsorganisatie gaat nader beoordelen of het borgingsinstrument inderdaad voldoet.

Vanaf volgend jaar treedt de wet gefaseerd in werking, te beginnen met eenvoudige nieuwbouw en seriematige verbouw. Op dit moment wordt onder aanvoering van het Instituut voor Bouwkwaliteit nog gewerkt aan verdere uitwerking van het systeem. Zo is de toelatingsorganisatie nog in oprichting en ook de borgingsinstrumenten zijn nog niet voor handen. Deze instrumenten moeten door de private partijen zelf worden ontwikkeld, bijvoorbeeld middels certificering of erkenning. Het Constructeursregister haakt hier op in met het initiatief tot een ‘Register Bouwbesluitdeskundige’. Dit register gaat inzichtelijk maken welke personen en bedrijven aantoonbaar, valide kennis en kunde bezitten in het toetsen van de kwaliteit van bouwwerken. Daarbij wordt ook duidelijk gemaakt welke kwaliteitsborger met welk(e) borgingsinstrument(en) kan werken. De initiërende organisaties achter het Constructeursregister, Bouwen met Staal en Betonvereniging, doen momenteel samen met het Instituut voor Bouwkwaliteit onderzoek naar de animo voor een bouwbreed gedragen Register Bouwbesluitdeskundige. Bouwgerelateerde organisaties die willen participeren, kunnen reageren via info@constructeursregister.nl of tel.(088) 400 85 21 (Gerda Hoogendijk).

Opschuimende coating, van ideaal naar praktijk

8 mei 2015

'Opschuimende coating, van ideaal naar praktijk' kopt het artikel over de toepassing van brandwerende verf op staalconstructies in de april-editie van het vakblad Bouwen met Staal. Het multidisciplinaire auteurstrio Ralph Hamerlinck (brandveiligheidsadviseur, Bouwen met Staal), Rob Stark (constructeur, IMd) en Christiaan de Wolf (architect, Cepezed) belicht de belangrijke aspecten van het gebruik van opschuimende coatings in de praktijk: vanaf ontwerpen, dimensioneren en specificeren tot en met applicatie en beheer en onderhoud. De beschrijvingen gaan vergezeld van ontwerptabellen en -voorbeelden, verwijzing naar de tool brandwerende coatings op deze site, een literatuurlijst en illustraties van correcte en (ter lering) minder voorbeeldige toepassingen.

‘Specifieke normen en verwijzingen’ voor inspectie brandbeveiligingssystemen

4 mei 2015

Centrum voor Criminaliteitspreventie (CCV) heeft versie 4.0 gepubliceerd van ‘Specifieke normen en verwijzingen’. Deze PDF, kosteloos te downloaden van de CCV-website, biedt het actuele overzicht van alle normen en voorschriften die inspectie-instellingen moeten gebruiken bij het beoordelen van brandbeveiligingssystemen.

Het overzicht is van toepassing op alle onderdelen van het CVV Inspectieschema Brandbeveiliging dat dan ook naar het nieuwe document verwijst. Dit Inspectieschema wordt gehanteerd bij de controle van vaste brandbeheers- en blussystemen, brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallaties en rookbeheersingsinstallaties. Voor elk van deze installatietypen geeft de nieuwe uitgave 4.0 de specifieke normen en andere relevante, nationale en internationale richtlijnen. Bij de brandbeheers- en blussystemen wordt onderscheid gemaakt tussen blusgasinstallaties, watermistsystemen, sprinklermeldsystemen, en sprinklerinstallaties. Tot deze vierde subcategorie behoren sprinklersystemen (al dan niet met schuimbijmenging), waterspraysystemen en licht-, middel- en zwaar-schuimsystemen.

Wordt een norm gebruikt die níet in het document voorkomt, dan verloopt de inspectie niet volgens het CVV-inspectieschema. Het daaruit voortkomende inspectierapport en inspectiecertificaat zijn dan uiteraard evenmin conform CVV-schema. Toepassing van een niet-opgenomen norm is pas toegestaan na uitdrukkelijke instemming van de Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging van het CVV.

In januari 2015 heeft het CVV ook al het Inspectieschema Brandbeveiliging aangepast. De publicatie staat nu gratis online in een nieuwe versie 9.0. Het schema levert de doelen, eisen, regels en aandachtspunten voor de inspectie van brandbeveiligingssystemen, dat wil zeggen: van brandbeveiligingsinstallaties in samenhang met bouwkundige, organisatorische en andere installatietechnische maatregelen. De inspectie kan zijn een eerste inspectie (na oplevering) of vervolginspectie (in de gebruiksfase). De inspectie is per Bouwbesluit 2012 verplicht voor bepaalde brandmeldinstallaties (art. 6.20), ontruimingsalarminstallaties (art. 6.23 Bouwbesluit) en automatische blus- en rookbeheersingsinstallaties (art. 6.32). De verplichting kan ook gelden op grond van PGS 15 (opslag gevaarlijke stoffen) of het Vuurwerkbesluit.

Waterleidingssprinkler wint Innovatieprijs Brandveiligheid 2015

24 april 2015

De waterleidingsprinkler ‘Fire Protection’ heeft de Innovatieprijs Brandveiligheid 2015 in de wacht gesleept. Tijdens het Nationaal Brandveiligheidsevenement, vorige week donderdag in Utrecht, verkoos het publiek het product van BAM Techniek boven de twee andere genomineerden: de verplaatsbare watermistunit van NATER Gas & Vloeistofsystemen en de brandwerende manchet op rol van HILTI Nederland.

Vooraf had de vakjury de genomineerden geselecteerd uit de inzendingen, op grond van innovatief karakter, integrale brandveiligheid en bruikbaarheid en was daarbij al zeer lovend over de waterleidingsprinkler: ‘Dit product is uniek in zijn soort binnen de Nederlandse markt, is breed toepasbaar, betaalbaar en zorgt voor een verhoging van de veiligheid. Deze ontwikkeling is een grote stap voorwaarts. De waterleidingsprinkler biedt een concrete oplossing voor een veelbesproken vraagstuk en geeft extra bescherming aan bijvoorbeeld ouderen die langer zelfstandig blijven wonen.’

De waterleidingsprinkler is ontwikkeld door BAM Techniek in nauw samenwerking met TU Delft, Siron, VSH en Veiligheidsregio Haaglanden. Het product is in 2014 tijdens de VSK-vakbeurs geïntroduceerd. De waterleidingsprinkler wordt door de gehele woning heen aangebracht in de leidingen aan of in het plafond en direct aangesloten op het bestaande waterleidingnetwerk. Een apart leidingnetwerk, zware aansluitingen, pompen en een aangepaste meter vanwege hoger vastrecht zijn bij deze sprinkler niet nodig. Om bij een brand de waterschade zo beperkt mogelijk te houden, treden uitsluitend de sprinklers bij brandhaard in werking. De waterleidingsprinkler is vooral bedoeld voor grondgebonden woningen (rijtjeshuizen, vrijstaande villa’s). De sprinklerkoppen zijn leverbaar in diverse kleuren, passend bij het interieur van de woning.

Aanjager van het sprinklerproject namens de Veiligheidregio Haaglanden was brandweerofficier Jack Ruibing: ‘Ouderen en mensen met beperkingen blijven steeds langer zelfstandig wonen. Dat heeft consequenties voor hun zelfredzaamheid bij brand. Branddetectie met rookmelders is daarom niet voldoende, we hebben ook een voorziening nodig die beginnende brandhaarden klein houdt. De waterleidingsprinkler is in mijn ogen het antwoord op dit vraagstuk. Zo ‘kopen’ we extra ontvluchtingstijd, in het bijzonder voor kwetsbare mensen.’

Op safe met staal

17 april 2015

Deze week heeft Bouwen met Staal het rapport ‘Veilige waarden voor de kritieke staaltemperatuur bij ontwerp en aanbesteding’ uitgebracht. De publicatie is hier als PDF gratis op te halen. De publicatietitel dekt de 36 pagina’s dikke inhoud. Het rapport biedt overzichtelijke tabellen en grafieken met de veilige, minimale waarden van de kritieke temperatuur voor de basiscomponenten van de stalen (hoofd)draagconstructies van gebouwen: kolommen, liggers en trekstaven. Uit de figuren kan de constructeur snel en eenvoudig aflezen wat de ‘eigen’ brandwerendheid van een profiel is en welke laagdikte de eventuele brandwerende bescherming moet hebben. Deze brandwerende bescherming kan zijn een brandwerende beplating of -bespuiting of een brandwerende verf (opschuimende coating).
Ook geeft het rapport inzicht in de gevolgen van de keuze van bijvoorbeeld een lichter of zwaarder profiel of een hogere staalsoort van het profiel voor de kritieke staaltemperatuur en daarmee voor de laagdikte van de brandwerende bescherming.
Door de kritieke staaltemperaturen van de verkozen profielen op te nemen in het bestek, kunnen leveranciers van brandwerende materialen eenduidige offertes uitbrengen. Op hun beurt kunnen constructeurs, adviseurs of aannemers de offertes ook op gelijkwaardige gronden beoordelen.

Het rapport trapt af met een overzichtstabel met daarin de minimale kritieke staaltemperaturen van kolommen en liggers per gebruiksfunctie volgens het Bouwbesluit 2012 (zoals woon-, kantoor-, bijeenkomstfunctie). Bij liggers wordt onderscheid gemaakt tussen: statisch bepaald, statisch onbepaald, statisch bepaald en vierzijdig verhit, en statisch onbepaald en vierzijdig verhit. De kolommen zijn zowel exclusief als inclusief de in vele gevallen geldende kniklengteverkorting bij brand.

Bijlage A bevat de grafieken met de minimale kritieke staaltemperaturen voor kolommen in verdiepinggebouwen, wederom per gebruiksfunctie. Hierbij is uitgegaan van zes bouwlagen, een HEA 240-profiel in S355 en met een systeemlengte van 3,6 m. en zware verdiepingvloeren (permanente vloerbelasting: 6,0 kN/m2).

De grafieken in bijlage B geven de minimale kritieke staaltemperaturen voor kolommen bij variatie van ontwerpparameters, bijvoorbeeld een ándere gebouwhoogte, een lichtere verdiepingvloer, een alternatief profieltype of een andere staalsoort van het profiel. De grafieken gaan ervanuit dat het verdiepinggebouw een kantoorfunctie vervult.
Alle grafieken in deze bijlage zijn gebaseerd op grafiek 2 in bijlage A. Door een grafiek in B te vergelijken met grafiek A2 worden duidelijk wat het effect is op de kritieke staaltemperatuur bij een alternatieve ontwerpparameter.

In bijlage C zijn 18 grafieken uit A en B in tabellen vervat.

Alle kritieke staaltemperaturen in het rapport zijn minimale waarden, een soort ondergrenzen voor gegarandeerd brandveilige oplossingen. De waarden zijn bepaald aan de hand van de Eurocodes NEN-EN 1990 + Nationale Bijlage (voor de combinaties van de mechanische belastingen, de opgelegde belastingen en de combinatiefactoren), NEN-EN 1991-1-1 + NB (voor de thermische belasting) en NEN-EN 1993-1-2 + NB (voor de mechanische belasting).

Het rapport is samengesteld door Ralph Hamerlinck, brandveiligheidsadviseur bij Bouwen met Staal, op initiatief en met steun van de Technische Commissie Brandveiligheid van staalconstructies (TC 3) van Bouwen met Staal.

Naar Frans voorbeeld?

2 april 2015

In Frankrijk behoort voortaan in alle woningen een rookmelder te hangen. Begin februari 2015 is deze verplichting gepubliceerd in de Franse Staatscourant. De plicht tot plaatsing geldt per 8 maart voor huiseigenaren. Huurders dienen er op te letten dat de melder ook daadwerkelijk functioneert. In ons land waart het idee voor een verplichte rookmelder in woningen al meer dan tien jaar rond. Sinds 2003 zijn rookmelders verplicht voor nieuwbouwwoningen, maar in oudere woningen hoeven ze nog geen vast element van het interieur te zijn. De Nederlandse overheid acht een verplichting voor álle woningen echter niet zinvol, omdat handhaving vrijwel onmogelijk is. Met hetzelfde argument is ook de koolmonoxidemelder nog niet verplicht gesteld. Rookmelders zijn ’t dunst gezaaid in huurwoningen van particuliere eigenaren en woningen in achterstandwijken, terwijl juist in deze woningen de meeste branden ontstaan.

De overheidsopstelling is dan ook een doorn in het oog van VEBON, de organisatie voor de beveiligingsbranche. ‘Het beleid van de overheid is: minder voorschriften en meer verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid neerleggen bij de gebouweigenaar. Maar als ’t dan toch misgaat, draait de eigenaar ook op voor alle consequenties’, stelt VEBON-directeur Erwin Schoemaker. ‘Rook is het grootste gevaar bij brand. Rook verspreidt zich razendsnel en zonder rookmelder worden mensen niet op tijd gewaarschuwd. Brandweer Nederland presenteerde onlangs de resultaten van brandproeven in sloopwoningen, waaruit blijkt dat rookmelders in combinatie met sluiten van binnendeuren het beste perspectief biedt op tijdig, veilig vluchten.’

De kosten van rookmelders hoeven volgens Schoemaker geen beletsel te zijn voor verplichtstelling: ‘Het is een kleine investering die levens zal redden. Ons doel is dat uiteindelijk alle woningen in Nederland zijn toegerust met een goed werkende rookmelder. Daarbij is ’t van belang dat eigenaren en huurders zich meer bewust worden van de kans op brand en van de materiële en immateriële kosten die woningbranden met zich meebrengen.’

Dat dat bewustzijn niettemin toeneemt, valt af te lezen aan het groeiend aantal rookmelders in bestaande woningen; aangebracht op basis van vrijwilligheid en daartoe aangewakkerd door preventievoorlichting vanuit gemeente of brandweer. In de stad Groningen, bijvoorbeeld, is inmiddels 2/3 van alle woningen voorzien van een rookmelder. In 1996 was dat nog maar 8%, zo blijkt uit recent onderzoek van de gemeente Groningen. Ook controle- en preventieacties van de veiligheidsregio’s in den lande werpen hun vruchten af. Zo heeft Brandweer Drenthe in de afgelopen paar jaar in totaal 2.350 woningen van particulieren en woningcorporaties bezocht en in totaal 2.000 rookmelders (gratis) geïnstalleerd. In sommige plaatsen is de rookmeldersdichtheid tot 40% gestegen. Komend halfjaar gaat de brandweer in Drenthe de brandveiligheid in nog eens 2.800 huizen aan de tand voelen.

  • Foto: Google.com

Brandweer krijgt vleugels

17 maart 2015

De regering wil brandweer en politie voortaan toestaan om met drones boven gebouwen en mensenmenigten te vliegen. Het kabinetsstandpunt is begin deze maand aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt, met daarbij de aankondiging van een noodzakelijke wijziging van de Wet luchtvaart per 1 juli van dit jaar.

Onbemande, op afstand bestuurde luchtvaartuigen kunnen een grote rol spelen bij hulpverlening, opsporing en handhaving van de openbare orde, vindt het kabinet. Bovendien brengen drones grote economische en maatschappelijke kansen voor overheden en bedrijven met zich mee. Daarom moeten brandweer en politie ruime(re) mogelijkheden krijgen om drones in te zetten, op elke locatie en zowel overdag als ná zonsondergang. Regeringspartijen VVD en PvdA voegen hieraan toe dat drones tevens van nut zijn bij bijvoorbeeld inspectie van infrastructuur, terreinen en objecten en bij klimatologisch onderzoek.

De brandweer hoopt met de drones (ofwel: ‘RPAS’, remotely piloted aircraft system) sneller en veiliger brandhaarden op te sporen en te bestrijden. Twee veiligheidsregio’s – Twente en Midden- en West-Brabant – bezitten al een drone, maar de inzet wordt bemoeilijkt door de regelgeving. Voor gebruik is nu nog een vergunning nodig, die zo’n 5 tot 6 weken op zich laten wachten. De reactie van Wilbert Kleijer van Brandweer Nederland op het regeringsstandpunt is dan ook positief: ‘We zijn zeer verheugd dat het kabinet onze behoefte onderschrijft en het voornemen heeft om dit per 1 juli 2015 in wetgeving te borgen. Het kabinetsstandpunt beschouwen wij dan ook als een goede stok achter de deur om samen met de wetgever tot werkzame kaders en afspraken te komen.'

Dat is nodig omdat het standpunt vooralsnog een standpunt op hoofdlijnen is en belangrijke voorwaarden stelt. Beroepsmatig vliegen met drones mag (nog steeds) alleen als alle veiligheidsvoorschriften in acht zijn genomen. Bovendien is de wetwijziging niet al op 1 juli een feit. Kleijer: ‘Tot die tijd zijn wij bezig om tot een ministeriële regeling (nog geen wet) te komen, op basis waarvan brandweer en politie een tijdelijke ontheffing kunnen krijgen. Wij hopen dat deze regeling af is voor 1 juli 2015'. Zo’n ontheffing wordt verleend als de veiligheid gegarandeerd is. Dat moet worden aangetoond via onder meer certificering van systemen en onderhoud en succesvol afgeronde opleidingen en trainingen.

Onder aanvoering van Kleijer komt de RPAS-projectgroep van Brandweer Nederland deze zomer met een position paper rond verantwoorde, professionele inzet van drones waarin de laatste ontwikkelingen en kennis zijn verwerkt. Dit paper wordt besproken in de Raad van Brandweercommandanten en kan nut zijn bij nadere uitwerking van het kabinetsstandpunt, eveneens deze zomer verwacht. Ondertussen zijn de regio’s Twente en Midden- en West-Brabant volop bezig om de noodzakelijke certificaten te behalen en met de samenstelling van een operationeel handboek. Hierin worden de eisen uit de Wet luchtvaart gekoppeld met het operationeel optreden. ‘Ook maken beide regio’s zich samen met de Nationale Politie sterk om de behoeften van de gehele Openbare Orde en Veiligheid-sector in de regelgeving te borgen. Hiervoor zitten de partijen geregeld om tafel en zijn al meerdere adviezen voor nieuwe regels uitgebracht’, aldus Kleijer. Wordt binnenkort ongetwijfeld vervolgd.

Nieuwe richtlijn risicobenadering brandveiligheid parkeergarages

2 maart 2015

VEBON, de branche-organisatie voor ondernemers in beveiliging, introduceert de ‘praktijkrichtlijn Risicobenadering brandveiligheid parkeergarages’. Aanleiding voor de publicatie is het intrekken, twee jaar geleden, door Brandweer Nederland van de ‘Concept praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde parkeergarages met een gebruiksoppervlak groter dan 1.000 m2’. Deze concept-richtlijn uit 2002 is weliswaar altijd een concept gebleven, maar in veel gemeenten al jaren in gebruik bij het beoordelen van gelijkwaardige oplossingen van de brandveiligheid van grote parkeerfaciliteiten. Nu Brandweer Nederland afstand heeft genomen van de richtlijn, ontstaat een ongewenste diversiteit in beoordelingen, meent VEBON. Of sprake is van gelijkwaardigheid volgens het gelijkwaardigheidsartikel in het Bouwbesluit, is bij een integrale brandveiligheidsbenadering ook lastig vast te stellen zónder nadere handreiking.

Het antwoord van de branche-organisatie is een nieuwe praktijkrichtlijn die aansluit op de centrale brandveiligheidsdoelen van de overheid in het Bouwbesluit 2012: het beperken van de kans op slachtoffers en het beperken van de schade aan bouwwerken op andere percelen. Daarnaast wordt ook een derde doel, afkomstig uit de regelgeving voor brandweerzorg, geërbiedigd: het maximaliseren van de kans op een veilig en effectief optreden bij brand door brandweer en andere hulpverleners, zoals ambulance en bedrijfshulpverlening.

Op grond van deze doelstellingen, de grootte van de bebouwing, het schade- en letselrisico en de evacuatie-opties presenteert de richtlijn een risicomatrix waarbinnen een vergunningaanvrager, zijn adviseur en het bevoegd gezag na gezamenlijk beraad en afstemming een parkeergarage kunnen indelen. De matrix kent drie risicoklassen. Hoe hoger de klasse, des te urgent is de noodzaak om brandveiligheidsmaatregelen te treffen. In risicoklasse 2 valt bijvoorbeeld een grote garage met hoog schaderisico, maar met een relatief beperkt risico op letsel. Vanuit deze garage is zelfstandig vluchten mogelijk. Een grote garage met hoog schaderisico én hoog letselrisico komt in risicoklasse 3. Ontvluchten vanuit de garage of nét buiten de garage (bijvoorbeeld vanuit aangrenzende gebouwdelen) kan uitsluitend met behulp van de brandweer. Parkeergarages in deze hoogste veiligheidsklasse zijn dikwijls garages bij (naast/boven/onder) ziekenhuizen en verzorgingstehuizen, maar ook bij grootschalige winkelcomplexen of bijeenkomstgebouwen.

De matrix is overigens geen doel op zich, maar vooral een hulpmiddel voor ontwerpers, adviseurs en toetsers om consensus te bereiken over de precieze risicobenadering in het project. Voor de uitwerking ervan biedt de richtlijn vervolgens keuze aan onderling samenhangende voorzieningen – ‘maatregelpakketten’ – op het gebied van bouwkundige en installatietechnische brandveiliging en de inzet van de BHV en de brandweer en andere externe hulpdiensten.

De richtlijn is toepasbaar op alle typen parkeergarages, uitgezonderd parkeergarages met een (half)automatisch parkeersysteem. De wens voor een gelijkwaardige brandveiligheidsoplossing kan zich voordoen bij garages die de grenswaarden van het Bouwbesluit 2012 overschrijden: meer dan 1.000 m2 bij nieuwbouw en meer dan 3.000 m2 voor bestaande bouw.

  • De praktijkrichtlijn Risicobenadering brandveiligheid parkeergarages is hier gratis te downloaden.
  • De VEBON-richtlijn heeft een metgezel in de richtlijn ‘Brandveiligheid stalen parkeergarages’ van Bouwen met Staal. Deze richtlijn, gepubliceerd in november 2011, levert handvatten bij Fire Safety Engineering van geheel of gedeeltelijk open, natuurlijk geventileerde parkeergebouwen. Klik hier voor kosteloos downloaden.
  • Foto: parkeergarage supermarkt Supercoop, Spijkenisse (UN Studio, JVZ Ingenieurs).

Brandwerende coatings in theorie en praktijk

20 februari 2015

Goed nieuws! De Nederlandse ontwerp- en bouwpraktijk doet steeds vaker een beroep op brandwerende coatings om staalconstructies van gebouwen de gevraagde brandwerende bescherming te geven. De toepassingen nemen hand over hand toe dankzij aanhoudende verbetering van producten, beproevings- en toepassingsvoorschriften, testmethoden en -faciliteiten, maar natuurlijk ook door de groeiende kennis en ervaring onder ontwerpers, bouwers en toetsers. Toch is het gebruik van brandwerende coating nog geen decennia-oude, diepgewortelde traditie in de vaderlandse bouw, waardoor de kwaliteit van ontwerp, uitvoering óf eindresultaat soms nog niet helemaal ‘volgens het boekje’ zijn. De Technische Commissie Brandveiligheid (TC 3) van Bouwen met Staal doet daar wat aan met het seminar ‘Brandwerende coatings: theorie & praktijk’, donderdag 16 april a.s. op de Troned Safety Campus in Enschede.

De toepassingsopties ‘uit de brochures’, maar vooral ook de praktijkervaringen in projecten, bij werkvoorbereiding, applicatie, transport, montage en kwaliteitscontroles komen over de bühne. Tot het sprekerscollectief behoren Richard Knauff (senior-specialist brandveiligheid van Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en de TC 3-leden Rob van Druenen (business development manager, International Paint) en Dick Markwat (tendermanager, Hollandia).

Tim van der Waart van Gulik (projectleider Fire Engineering bij Efectis Nederland en eveneens TC 3) gaat dieper in op de innovaties in het testen van brandwerende coatings en de aanstaande veranderingen in de regelgeving. Zo is voor brandwerende coatings een nieuwe, geharmoniseerde Europese productnorm in de maak. Zodra deze norm is gepubliceerd, zijn leveranciers van brandwerende-coatingproducten die binnen de EU in omloop zijn, verplicht deze producten te voorzien van CE-markering met prestatieverklaring. Overigens zijn diverse leveranciers hier al vrijwillig toe overgegaan. De CE-markering en prestatieverklaring bij hun producten berust dan op een prestatiebeoordeling volgens ETAG 018-02 (Reactive coatings for fire protection of steel elements). Het beproeven van de brandwerendheid van de producten dient te gaan volgens NEN-EN 13381-8 (‘Beproevingsmethoden voor de bepaling van de bijdrage aan de brandwerendheid van constructiedelen - Deel 8: Reagerende bescherming aangebracht op stalen constructiedelen’).

Om de praktische ervaringen van de deelnemers verder te verrijken, staan in de middag enkele praktijktests op het seminarprogramma: de beproeving van het gedrag van brandwerende coating op stalen constructiedelen en proeven op verschillende verbindingen van gecoat en ongecoat staal.

  • Het complete seminarprogramma en het aanmeldingsformulier vindt u op www.bouwenmetstaal.nl. Aan deelname zijn geen kosten verbonden!

Gratis Excel-tool berekent brandwerendheid gevelkolommen

6 februari 2015

Nieuw in de collectie (gratis) ontwerptools op brandveiligmetstaal.nl is het Excel-programma Bepaling brandwerendheid gevelkolommen. Met deze tool kunt u vlot vaststellen of een (inpandige) kolom in de gevelzone aan een of meerdere van de vier zijden een brandwerende bescherming nodig heeft en wat de laagdikte per zijde moet zijn om de vereiste brandwerendheid te halen. Ook is te beoordelen of en in hoeverre een kleine spleet tussen gevelkolom en gevel en/of het voortijdig bezwijken van de gevel nadelige gevolgen heeft voor de opwarming en de brandwerendheid van de kolom.

De tool biedt de keuze uit drie verschillende typen beschermende materialen: brandwerende coating, brandwerende plaat en brandwerende spuitmortel. Het materiaaltype kan op alle te beschermen kolomzijden hetzelfde zijn (bijvoorbeeld overal een brandwerende coating). Maar het materiaal kan ook per kolomzijde verschillen (bijvoorbeeld een brandwerende plaat op drie zijden van de kolom en een mortel op de vierde zijde). Uiteraard kunnen ook de laagdikten per zijde variëren.

De tool berekent de brandwerendheid van de kolommen volgens NEN-EN 1991-1-2 en NEN-EN 1993-1-2. Vooraf voert u in het profieltype (dat kan zijn een H-, I-, buis- of kokerprofiel), de kritieke staaltemperatuur van de kolom (bijv. 550 ºC), de brandwerendheid van de gevel (bijv. 60 minuten) én de afstand en oriëntatie van de kolom ten opzichte van de gevel (bijv. 50 mm. en (in geval van een H- of I-profiel:) ‘flens kolom evenwijdig aan de gevel’). Daarna vult u per zijde de gewenste brandwerende bescherming in (type, laagdikte en eventuele beschadiging) en de relevante productgegevens zoals de warmtegeleidingscoëfficiënt (W/m-K).

Het rekenresultaat is een overzicht van de brandwerendheid van de gekozen oplossing vanaf 5 t/m 120 minuten, steeds in stappen van 5 minuten. In het overzicht ziet in één oogopslag wanneer de oplossing de kritieke staaltemperatuur bereikt.

Brandwerendheid gevelkolommen is samengesteld door Bouwen met Staal en getest en goedgekeurd door de Technische Commissie Brandveiligheid (Bouwen met Staal).

Opmaat tot aardbevingsbestendig ontwerpen

29 januari 2015

Aardbevingsbestendig ontwerpen en bouwen. Met brandveiligheid heeft ‘t niet direct van doen, maar des te meer met de algehele veiligheid van gebouwen en hun gebruikers in Groningen. Vooral in het noordoostelijk deel van de provincie, maar zelfs ook al in de hoofdstad Groningen zijn de risico’s op aardbevingen als gevolg van de gaswinning aanzienlijk en is al heel wat schade aan bouwkundige en constructieve delen van woningen en gebouwen opgetekend. Het seminar ‘Aardbevingsbestendig ontwerpen’ op 5 en 6 maart a.s. in (hoe kan ’t anders) Groningen doet uitgebreid verslag van onderzoek naar de aardbevingsrisico’s, nu en in de nabije toekomst, en naar de aard en omvang van belastingen op constructies van gebouwen, zowel bestaand als nieuw.

Na deze ‘probleemstelling’ worden de diverse, praktische oplossingsrichtingen gepresenteerd voor analyse en classificatie van aardbevingsrisico’s en het ontwerpen, berekenen en toetsen van constructies op aardbevingsbelastingen. Hierbij wordt vanzelfsprekend ingegaan op de opzet, werking en toepassing van de voorschriften voor aardbevingsbestendigheid, waaronder de aanstaande Nationale Praktijkrichtlijn NPR 9998 ‘Ontwerp en beoordeling van aardbevingsbestendige gebouwen bij nieuwbouw, verbouw en afkeuren’ en de NEN-EN 1998 ofwel Eurocode 8, de serie Europese normen voor ontwerp en berekening van aardbevingsbestendige constructies. Speciaal voor bestaande gebouwen en woningen in Groningen worden methoden voor het (preventief) versterken van de constructie uit de doeken gedaan.

Met deze onderwerpen is het seminar vooral voor bestemd voor constructeurs. Ze krijgen de informatie aangereikt door ervaren vakgenoten, werkzaam bij gerenommeerde bureaus als RoyalHaskoningDHV, Witteveen+Bos, Grontmij, Arcadis en ABT. Het complete collectief van zo’n 20 sprekers is echter breder. Ook vertegenwoordigd zijn bijvoorbeeld TU Delft Civiele Techniek en het European Centre for Training and Research in Earthquake Engineering. Namens de gemeente Slochteren is het woord aan burgemeester Gert-Jan ten Brink. Mede daarom zal ook de plantoetser, architect, bouwkundig tekenaar, aannemer of toeleverancier veel van zijn gading vinden in het seminar-aanbod.

  • Klik hier voor het volledige seminarprogramma en de link naar het aanmeldingsformulier. De kosten van deelname bedragen € 1.023,50 per persoon (voor beide dagen), inclusief catering en info-syllabus. Leden van Bouwen met Staal betalen € 890,00 p.p. De seminarlocatie is het Hampshire Hotel-Plaza in Groningen.
  • Bouwen met Staal organiseert het seminar samen met EPI-kenniscentrum, de nationale kennisinstelling voor aardbevingsbestendig (ver)bouwen. Het initiatief voor het seminar komt van de Technische Commissie ‘Aardbevingsbestendig Ontwerpen’ (TC 13) van Bouwen met Staal.

Brandclassificatie elektrische kabels genormeerd

19 januari 2015

De brandveiligheid van elektrische kabels voor vaste installaties in gebouwen en infrastructurele werken vallen over enige tijd ook onder de Europese Verordening voor bouwproducten (Construction Products Regulation, CPR). Dat brengt met zich mee dat deze kabels in de nabije toekomst moeten worden voorzien van CE-markering, inclusief opgave van indeling in brandklassen. Wanneer welke brandclassificatie van toepassing is, dienen de EU-lidstaten individueel te regelen. Voor ons land heeft het NEN de eisen hiervoor nu vastgelegd in de ontwerp-NEN 8012 ‘Beperking van schade als gevolg van brand van en via de elektrische leidingen in de elektrische installatie.’ Dit normontwerp, gepubliceerd op 1 oktober 2014, geeft de voorschriften voor kabels voor wat betreft hun gedrag bij brand. Naast deze ‘reaction to fire’ stelt de CPR ook voorwaarden aan het functiebehoud, ‘resistance to fire’. Voor dit onderdeel zijn nog nationale voorschriften nodig.

De NEN 8012 gaat de NTA 8012 (Nederlands Technische Afspraak) vervangen. Een van de verschillen met de voorganger is de aangepaste risicoanalyse met wegingsfactoren. Als alternatief hiervoor biedt de norm nu ook een stappenplan met flowcharts. De bezettingsgraadklasse-indeling heeft plaats gemaakt voor een indeling voor uitwendige invloeden volgens de laagspanningsnorm NEN 1010 met betrekking tot ontruimingsmogelijkheden. Verder geeft de norm nu ook een beschrijving van de relatie tussen de NEN 8012/NTA 8012, de NEN 1010 en het Bouwbesluit en van de betekenis van brand- en rookklassen. Als aanvullende classificatiecriteria zijn ‘corrosiviteit/zuurgraad’ en ‘vallende brandende deeltjes’ toegevoegd.

Tot 31 december vorig jaar konden belanghebbenden commentaar indienen op het ontwerp. Aan de hand van de reacties maakt de werkgroep van normcommissie NEC 64 ‘Installatievoorschriften, lage spanning’ het normontwerp definitief.

  • De ontwerp-NEN 8012 is te bekijken en te bestellen in de NEN-shop

Brandveilig het nieuwe jaar in met webtool Brandwerende plaat en -mortel

7 januari 2015

Bouwen met Staal luidt het jaar 2015 brandveilig in met de tool Brandwerende platen en -mortel. Deze nieuwe webtool assisteert architecten, constructeurs en toetsers en toezichthouders bij brandweer en bouwtoezicht bij het verkennen, beoordelen en kiezen van plaat- en mortelproducten voor het brandwerend beschermen van staalconstructies van gebouwen.

De opzet en werking van Brandwerende platen en -mortel is afgekeken van de eerder gelanceerde webtools Brandwerende coatings en Stalen puien. De gebruiker vindt de geschikte plaat- of mortelproducten na selectie op onder meer type profiel van kolom of ligger, profielfactor, kritieke staaltemperatuur, brandwerendheidseis en toepassingsgebied (binnen, buiten, zichtwerk). De producten zijn uiteraard ook vindbaar op product- of leveranciersnaam.

Elk zoekresultaat bestaat uit een korte omschrijving van het product en downloadbare PDF-en van het test-/beoordelingsrapport (ETA, European Technical Assessment of overeenkomstig), CE-documenten (Conformiteitscertificaat (CPD) en Prestatieverklaring (DOP)) en productinformatie. In de beoordelingsrapporten zijn tevens de laagdiktetabellen opgenomen. Elke productopname wordt gecompleteerd met de contactgegevens van de leverancier.

Op dit moment bevat de tool producten van Fermacell, Saint-Gobain Gyproc Nederland en Promat. Deze en nog op te nemen producten zijn allemaal getest en beoordeeld volgens EN 13381-4 door een hiervoor geaccrediteerd instituut.
Producten die niet aan deze voorwaarde voldoen, komen tóch voor opname in aanmerking bij afgifte van een verklaring van een notified body (zoals Efectis) waaruit blijkt dat het product dan wel de rapporten zijn getoetst aan de criteria in EN 13381-4.

  • De tool Brandwerende platen en –mortel is snel te vinden op deze website via de eigen url óf via de button Tools BmS op de homepage. Onder deze knop zijn alle webtools en Excelsheets van Bouwen met Staal (BmS) voor het brandveilig ontwerpen en dimensioneren van staalconstructies bereikbaar.

Kleine blusmiddelen: effectief, maar niet altijd paraat

19 december 2014

Met draagbare blussers en brandslanghaspels worden beginnende branden effectief geblust. Dat blijkt uit recent onderzoek van Vebon naar inzet en onderhoud van kleine blusmiddelen. Ook het rendement van het gebruik van kleine blusmiddelen is hoog, zoals bij eerdere studies al naar voren kwam. De zichtbaarheid en bereikbaarheid en het onderhoud van kleine blusmiddelen laten echter vaak nog te wensen over. Louter de toestellen in huis hebben, is onvoldoende, vindt Vebon, ze moeten altijd gebruiksklaar zijn. Periodieke inspectie en onderhoud zijn daarbij onmisbaar. Daarnaast is jaarlijks bij zo’n 15% van alle kleine blusmiddelen een extra reparatie noodzakelijk, zo wijst het onderzoek uit. Dit komt doorgaans door invloeden van buitenaf, zoals verkeerd beheer of vandalisme. De inzetbaarheid van kleine blusmiddelen verdient verbetering, aldus Vebon, en ze verwijst daarbij naar de vernieuwde Brandregresregeling die sinds 1 januari 2014 van kracht is voor de zakelijke markt. Volgens deze regeling mogen verzekeraars de schade door brand of andere calamiteiten volledig verhalen op de veroorzaker, in geval van ‘verwijdbaar onzorgvuldig handelen’, bijvoorbeeld door gebruik van gebrekkige voorzieningen of achterstallig onderhoud.

Gezocht: medewerking aan herziening NEN 2535

1 december 2014

Dinsdagochtend 16 december a.s. organiseert NEN een (gratis) informatiebijeenkomst in Delft over de gedeeltelijke herziening van NEN 2535 ‘Brandveiligheid van gebouwen – Brandmeldinstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen’. Tijdens de bijeenkomst wordt niet alleen ingegaan op noodzaak, nut en aanpak van de herziening. Ook dient de meeting te resulteren in oprichting van een werkgroep die onder aansturing van de normcommissie 351 086 ‘Brandmeldsystemen’ de herziening op zich gaat nemen.

NEN 2535 geeft regels voor het ontwerp, de uitvoering, de compatibiliteit en de kwaliteit van de te installeren brandmeldinstallatie (BMI). Daarnaast worden de voorschriften gegeven voor een programma van eisen (PvE). De norm verscheen in 2009, in 2010 volgde een correctieblad. Sindsdien hebben de ontwikkelingen in brandmeldinstallaties echter niet stilgestaan. Zo hebben draadloze/digitale installaties hun intrede gedaan en zijn de eisen in het Bouwbesluit 2012 nu ook conform NEN 2535:2009. Vragen uit ‘de markt’ zijn niet langer afdoende te beantwoorden met de bestaande norm, waardoor herziening actueel is geworden.

De normherziening is specialistenwerk. Aspirant-werkgroepleden dienen dan ook voldoende en up-to-date vakinhoudelijke kennis mee te brengen. Inzicht dan wel ervaring met toepassing van de norm in relatie tot andere normen en regelgeving is een pré. Deelname aan de werkgroep staat open voor medewerkers van onder meer fabrikanten van brandmeldinstallaties of -componenten, (branche)organisaties van leveranciers en installateurs, onderzoek- en kennisorganisaties, certificerende instellingen, (brand)adviesbureaus en brandweer. Tijdens de informatiebijeenkomst worden de deelnamemogelijkheden en -voorwaarden nader uit de doeken gedaan. Na aanmelding voor de bijeenkomst wordt het concept-projectplan toegestuurd.

  • Meer informatie over de werkgroep en het programma en de inschrijfoptie voor de informatiebijeenkomst vindt u op www.nen/evementen. Voor nadere inlichtingen: Marc Mergeay, consultant NEN Bouw, e-mail marc.mergeay@nen.nl.

Essentiële bouwkundige controlepunten, nu mét ‘Brandwerende constructies’

19 november 2014

Tijdens de studiedag ‘Aantoonbare brandveiligheid’ van 13 november jl. heeft Brandveilig Bouwen Nederland de nieuwe editie gepresenteerd van De essentiële bouwkundige controlepunten. Sinds de eerste uitgave in 2005 wordt deze publicatie elk jaar aangepast aan nieuwe of herziene normen en richtlijnen en voorzien van verse kennis en inzichten in concepten, producten en toepassingen. De editie 2014/2015 is tot stand gekomen in samenwerking met Brandweer Nederland en de Vereniging Bouw & Woningtoezicht Nederland.

Voor de diverse betrokkenen bij de brandveiligheid van gebouwen – van eigenaren en beheerders tot en met ontwerpers, bouwers en toetsers – biedt de publicatie wederom nuttige, ‘hands on’ informatie voor een verantwoorde keuze en toepassing van industriële branddeuren, voetgangersdeuren, brandschermen, brandwerende isolatiematerialen, doorvoeringen en het brandwerend impregneren van hout- en plaatmateriaal. Nieuw is hoofdstuk 7 ‘Brandwerende constructies’. Hierin worden eerst de regels en normen voor het bepalen van de brandwerendheid van constructies op een rij gezet. Daarna wordt ingezoomd op de brandwerendheid van de drie veelvoorkomende typen (draag)constructies van gebouwen: hout, beton en staal.

De staalparagraaf is gewijd aan de inzet van brandwerende plaat, spuitpleisters en coatings voor het (extra) beschermen van staalconstructies tegen brand. Het geeft de elementaire richtsnoeren voor de keuze van producten (vrijwillige CE-markering óf ETA, geldige normen, blootstellingscondities en verwachte belastingen), de controle van de conditie (geschiktheid) van de staalconstructie (toepassingsgebied, ondergrond, zichtwerk/geen zichtwerk) en het berekenen van de benodigde laagdikte. Afsluitend volgen de meer specifieke aandachtspunten per producttype (spuitpleister, plaat, coatings). In geval van brandwerende coatings wordt ook doorverwezen naar de kwaliteitsrichtlijn Applicatie Brandwerende Coatings van Bouwen met Staal.

  • ‘De essentiële bouwkundige controlepunten’ is als gratis PDF te downloaden van www.bbn.nu

Herziene norm Veiligheidskleuren en -tekens in aantocht

8 november 2014

NEN heeft de ontwerp-NEN 3011 ‘Veiligheidskleuren en –tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’ uitgebracht. Deze norm bevat praktische richtlijnen voor ontwerp en opmaak, daar waar van toepassing aangevuld met voorbeelden.

De richtlijnen gelden voor alle soorten ruimten en locaties waar veiligheidsinformatie via bijvoorbeeld borden en stickers openbaar wordt vermaakt. Dit is bepaald in NEN-EN-ISO 7010. Deze norm voor ‘Graphical symbols – Safety colours and safety signs’ is door alle Europese lidstaten (waaronder Nederland) overgenomen. Hierbij geldt de verplichting om strijdige nationale normen te herzien, voor Nederland betreft dit de NEN 3011:2004 en NEN 6088:2002. In de ontwerp-NEN 3011 zijn de bestaande strijdigheden in de voorgaande versie, NEN 3011:2004, weggenomen en wordt nu verwezen naar de Europese norm. De NEN 6088 strookt vrijwel geheel niet met de ISO 7010. Enkele relevante onderdelen van deze norm zijn nu in de ontwerp-NEN 3011 verwerkt.

Vanwege de voortdurende uitbreidingen van de ISO 7010 zijn in de ontwerp-NEN 3011 uitsluitend symbolen opgenomen die in ons land van toepassing zijn en nog niet voorkomen in de ISO-norm (met inbegrip van de wijzigingsbladen A1, A2 en A3 uit 2014). Voor de overige symbolen wordt verwezen naar de Europese norm.

Op dit moment buigt de normcommissie ‘Grafische symbolen’ zich over het commentaar op het ontwerp. Na verwerking hiervan wordt de definitieve norm gepubliceerd.

  • Voor inhoudelijke norminformatie kunt u contact opnemen met ir. Ying Ying Lau, (consultant NEN Industrie en Veiligheid), telefoon (015) 2 690 180 of e-mail arbeid@nen.nl

Vernieuwde richtsnoeren voor ontruimingsplannen

30 oktober 2014

NEN introduceert het ontwerp van de NEN 8112 ‘Bedrijfsnoodorganisatie en bedrijfshulpverlening’. Deze nieuwe norm levert aanwijzingen voor het opstellen van ontruimingsplannen in gebouwen. Toepassing van deze richtsnoeren is van belang voor het goed functioneren van een ontruiming in geval van brand of andere calamiteiten of incidenten. Een ieder die met zo’n ontruiming is belast, vindt de taakomschrijving in deze norm. Voor de omschrijving van het ontruimingsproces, als onderdeel van de bedrijfshulpverlening, wordt verwezen naar NEN 4000.

Volgens de Arbowet is een bedrijf verplicht om een ontruimingsplan in huis te hebben. Bovendien vraagt het Gebruikersbesluit er om als in het gebouw een brandmeld- of ontruimingsinstallatie aanwezig is. Een ontruimingsplan kan eveneens nodig zijn bij aanvraag van een milieuvergunning.

Bij de norm is tevens een Toolkit Ontruimingsplan ontwikkeld, als praktische hulp bij het opstellen van een eigen ontruimingsplan, inclusief procedures van alarmeren, ontruimingsoefeningen en de taken en verantwoordelijkheden van de BHV-organisatie. De Toolkit biedt daartoe onder meer een plan-sjabloon, voorbeeld-plattegronden en voorbeeld-instructiekaarten. Daarnaast zijn de NEN 8112 en de verwante NEN 4000 en NEN 1414 opgenomen.

De nieuwe NEN 8112 wordt naar verwachting in het eerste halfjaar van 2015 gepubliceerd en vervangt dan de voorgaande versie uit 2010. Commentaar op het normontwerp is mogelijk tot 1 november a.s.

  • Voor meer informatie, preview en bestellen van de NEN 8112:2014, klik hier
  • De Toolkit Ontruimingsplan is te vinden op: www.nen.nl/ontruimingsplan
  • Foto: NUfoto (ontruiming zorgcentrum Nieuwegein na brand, 30 oktober 2014).

Masterclass private kwaliteitsborging bouw

14 oktober 2014

Onder aanvoering van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de kwartiermakers van het IBK (Instituut voor Bouwkwaliteit) wordt momenteel druk gewerkt aan een grondige herziening van het stelsel voor het bouwtoezicht in ons land. Inzet van de ingreep is dat vanaf 2015 private partijen bouwplannen gaan toetsen aan het Bouwbesluit. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en de handhaving. Hiermee wordt een andere manier van kwaliteitsborging geïntroduceerd, met als tweeledig einddoel: beter functionerende gebouwen én een betere bescherming van opdrachtgevers en gebruikers van gebouwen tegen fouten en onvolkomenheden tijdens de bouw.

Deze private kwaliteitsborging vraagt om intensieve samenwerking tussen alle betrokkenen bij overheden en marktpartijen. Maar hoe geef je die samenwerking dan vorm en inhoud? Wie dragen straks functionele verantwoordelijkheid, wie de eindverantwoordelijkheid en hoe liggen de aansprakelijkheden? Ontstaan er meer óf andere risico’s en hoe dek je die af? Vragen die bij alle betrokkenen leven en voor alle betrokkenen van bruikbare respons worden voorzien tijdens de Royal Dutch Masterclass Private Kwaliteitsborging Bouw, maandag 17 november a.s. in Theater en Congrescentrum Gooiland in Hilversum.

Diverse organisaties die direct met bouwkwaliteit van doen hebben (waaronder Rijk, gemeentelijk bouwtoezicht, brandweer, bouwadviseurs, aannemers en installateurs) vaardigen hun deskundigen af om u te informeren en inspireren voor een adequate voorbereiding op het gewijzigde stelsel en uw (nieuwe) rol bij private kwaliteitsborging. Aan het woord komen Bart Dunsbergen (Ministerie van BZK), Gert-Jan van Leeuwen (kwartiermaker IBK), Wilco Ankersmit (VNG/Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland), Johan van der Graaf (Nieman), Harm van den Oever (Uneto-VNI), Bob Gieskens (Bouwend Nederland) en Joost Pothuis (Arcadis). Behalve luisteren kunt u ook reageren op de sprekers via het stemsysteem. Bouwinnovator Marjet Rutten treedt op als dagvoorzitter.

  • Deelnamen aan de dagvullende Masterclass kan voor € 295,00 per persoon, excl. btw maar incl. catering en het masterclass-verslag. Voor meer informatie, programma en aanmelden: royaldutchmasterclasses.com
  • Foto: Facility Management Magazine.

Brandwerende-kennisevents

7 oktober 2014

Na het drukbezochte Bouwen met Staal-seminar ‘Brandwerende coatings’ op de Nationale Staalbouwdag (2 oktober jl.) dingen drie aankomende kennisevents naar een plaatsje in uw agenda.

Donderdag 30 oktober a.s. is de dag van het Fire Seminar, voor de vijfde achtereenvolgende keer georganiseerd door Kingspan. De lustrumeditie vindt plaats in het nieuwe onderkomen van Efectis in Bleiswijk en zoomt in op borging van de brandveiligheid van de gebouwschil. Inleidingen op dit thema komen van onder meer Rudolf van Mierlo (Efectis Nederland), Fred Hart (IFV en Brandweer Amsterdam Amstelland) en Richard Oets (Delta Lloyd). Daarnaast is een live-test van de brandwerendheid van Kingspan-isolatiematerialen geprogrammeerd.

Eveneens op 30 oktober (dat wordt nog lastig kiezen) staat weer een nieuwe aflevering van de cursus Hallenbouw in staal op de rol. Tijdens deze praktijkcursus van SBRCURnet en Bouwen met Staal belicht Ralph Hamerlinck (Bouwen met Staal) de consequenties van veranderde Bouwbesluit-eisen voor het ontwerpen en bouwen van hallen met een staalconstructie. Hij gaat daarbij vooral in op de deels versoepelde WBDBO-eisen. Zo mag een nieuwe hal of halcompartiment nu tót 2.500 m2 groot zijn zónder dat WBDBO-eisen nodig zijn. In het oude Bouwbesluit lag de grens bij 1.000 m2. Voor bestaande industriehallen blijft deze grens ongewijzigd (3.000 m2).

Ook van SBRCURnet, maar dan in samenwerking met Stichting Hoogbouw is de bijeenkomst Brandveiligheid in Hoge Gebouwen. Tijdens deze middag op 20 november in Rotterdam wordt de langverwachte Handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen gepresenteerd. De handreiking biedt opdrachtgevers, ontwerpers en toetsende instanties een leidraad voor het gezamenlijk vaststellen van de brandveiligheid van gebouwen boven 70 m. Voor deze gebouwencategorie geeft het Bouwbesluit 2012 geen eisen. De Handreiking is geen vervangende wetgeving, het heeft een privaatrechtelijke status. Voorgenomen maatregelen en voorzieningen dienen daarom altijd wel aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Maar de kans op acceptatie is groot, want een visie en aanpak volgens de Handreiking wordt mede onderschreven door Rijksoverheid, gemeenten, brandweer en brandveiligheidadviesbureaus die elk hun bijdragen aan de publicatie hebben geleverd.

  • Foto: woon-/werkgebouw Montevideo, Wilhelminapier, Rotterdam (Mecanoo Architecten).

Kwaliteit verzekerd

28 september 2014

Elk middel is zo goed als z’n toepassing. Dit adagium geldt (uiteraard) ook voor brandwerende coatings op staalconstructies. Een brandwerende coating is a priori prima in staat om een staalconstructie afdoende en blijvend effectief te beschermen bij brand. Maar of dat in de pratijk goed lukt, hangt niet alleen af van een adequaat ontwerp en een verantwoorde productkeuze maar ook van een correcte applicatie en van de beoordeling van het eindresultaat.

Om de toepassing van brandwerende coatings op al deze onderdelen goed op de rails te houden, is overleg, afstemming en interactie nodig tussen ontwerpers, (staal)bouwers, applicateurs en leveranciers. Om deze ‘ketensamenwerking’ te stimuleren, zijn de vier disciplines van harte genodigd op het middagseminar ‘Kwaliteit verzekerd’ van Bouwen met Staal en VVVF.

Tijdens dit seminar op de Nationale Staalbouwdag, aankomende donderdag in Katwijk aan Zee, gaan de deelnemers onder aanvoering van Inge Janse met elkaar in debat over de diverse aspecten van brandwerende coatings op staal. De dialoog resulteert, zo hopen de organisatoren, in een heldere consensus over samenwerking voor ‘meer en beter brandwerende coating’. Voor die samenwerking dien je natuurlijk ook weet te hebben van de laatste ontwikkelingen in regelgeving en praktijk. Hiervoor zorgen de drie sprekers van het seminar. Na een leerrijke case uit de praktijk van Ralph Hamerlinck (Bouwen met Staal en Adviesbureau Hamerlinck) doet Bernard Lems, Technisch Commercieel Afgevaardigde van Aalterpaint, een boekje open over de concept-Europese richtlijn voor applicatie van brandwerende coatings. Aansluitend doet Willem Rinsma, directeur Business Development van Fiss Holland, het idee en de mogelijke opzet van een BRL (beoordelingsrichtlijn) voor brandwerende coatings uit de doeken.

  • Het middagseminar begint donderdag 2 oktober a.s. om 13:10 uur in de Lounge van Hangaar 2, Katwijk aan Zee. Het volledige programma vindt u hier
  • U kunt het seminar kosteloos bijwonen ná inschrijven voor de Nationale Staalbouwdag. Klik hier


Nominaties IFV-VVBA scriptieprijs bekend

19 september 2014

Tijdens de Expertclass Firesafety Next Generation, onlangs gehouden aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), is bekend gemaakt welke scripties meedingen naar de IFV-VVBA scriptieprijs. Dit is de jaarlijkse prijs voor de beste master- of bachelor-afstudeerwerken op het gebied van brandveiligheid in Nederland en België. Genomineerd voor de prijs 2014 zijn:

  • ‘Evaluation of the burning behavior of wood products, in the context of strutural fire design’ van Arne Inghelbrecht (IMFSE, Universiteit Gent) (masterscriptie);
  • ‘Van trappen op de rem naar fluitend richting de inzet’, Thijs Geertsema (Integrale veiligheidskunde, Saxion Enschede) (bachelorscriptie) en
  • ‘Brandwerendheid vloerconstructie bij een natuurlijke parkeergaragebrand’, Ruben Dijkstra (Bouwkunde,Windesheim Zwolle) (bachelorscritpie).

De VVBA-scriptiecommissie, geformeerd uit David den Boer (Peutz) en Ruud van Herpen (Nieman en TU/e), beoordeelde de inzendingen onder meer op de betekenis voor de brandveiligheid, actualiteit van het onderwerp, visie, doel en plan van aanpak, innovatie-gehalte en toepasbaarheid.

De winnaar wordt donderdag 5 november a.s. bekend gemaakt tijdens het 7e Nationaal Congres Fire Safety & Science. Dit tweedaags congres (voorheen het Nationaal Congres FSE) van het IFV en het Amerikaanse Underwriters Laboratories belooft lezingen en workshops door onder meer Brandweeracademie, Brandweer Nederland, Universiteit Gent en Efectis Nederland. Op de bankrekening van de winnaar wordt een prijzengeld van € 1.200 bijgeschreven, te besteden aan een opleiding of andere vorm van het verwerven van kennis van brandveiligheid.

  • Voor meer info over Nationaal Congres Fire Safety & Science: www.ifv.nl


  • Foto's: parkeergarage Gerstdijk, Helmond (Vissers & Roelands architecten & ingenieurs, EZ Park, Voortman Staalbouw).


Brandwerende coatings op de Nationale Staalbouwdag

12 september 2014

Donderdag 2 oktober a.s. is Nationale Staalbouwdag 2014, het jaarlijkse info-event voor staalminnend Nederland. In het programma van dit jaar is flink wat ruimte gereserveerd voor de laatste trends in regelgeving, fabricage, applicaties en prestaties van brandwerende coatings (op staal).

Bouwen met Staal vervat deze ‘state of the art’ in een speciaal seminar Brandwerende coatings. Tijdens dit middagseminar worden onder meer de opzet van een nieuwe beoordelingsrichtlijn (BRL) en het concept van een nieuwe Europese richtlijn over de bühne gebracht. Daarnaast worden de actuele opties van brandwerende coatings bij toepassing op staalconstructies belicht, aan de hand van een recent projectvoorbeeld. Kortom, ‘verplichte kost’ voor architecten, constructeurs en medewerkers brandweer en bouwtoezicht.

Op de vakbeurs van de Nationale Staalbouwdag treft u bovendien vier gerenommeerde leveranciers van brandwerende-verfproducten: Aalterpaint, Hempel, Multifire en PPG Protective & Marine Coatings. Drie van de vier zijn met meerdere producten vertegenwoordigd in de webtool Brandwerende coatings. Deze tool, afgelopen voorjaar gelanceerd door Bouwen met Staal, ondersteunt bij het kiezen en beoordelen van de producten. Per product biedt de tool informatie over onder meer samenstelling, eigenschappen, gebruiksmogelijkheden en applicatiewijzen. Alle opgenomen producten zijn getest en beoordeeld volgens EN 13381-8, door een daartoe geaccrediteerd instituut.

  • Zowel de vakbeurs als het seminar zijn gratis te bezoeken ná inschrijven voor de Nationale Staalbouwdag. Het concept-programma van het seminar vindt u hier. De definitieve spreekbeurten en sprekers worden binnenkort bekend gemaakt.
  • Foto’s: recent project met brandwerende coatings: P+R Kralingse Zoom (Zwarts & Jansma Architecten, 2014, fotografie: Hans Elbers).


Handige hulp bij profielkeuze

29 augustus 2014

Een van de belangrijke aspecten van het dimensioneren van staalconstructies op brandwerendheid is een verantwoorde keuze van de profielen voor de kolommen, liggers en stabiliteitsverbanden. Een handige hulp bij die keuze is de nieuwe app Staalprofielen 2.0.

In de app, een uitgave van Bouwen met Staal, kunt u op uw Android- of Apple mobiel of tablet snel en 24 uur per dag een selectie maken uit een ruim assortiment van staalprofielen die in de bouw gebruikelijk zijn. De app-bibliotheek is gevuld met H-, I- en U-profielen van balkstaal, profielen van stafstaal (zoals hoekprofielen en T-stukken), stripstaal, staven voor betonwapening en ronde, rechthoekige en vierkante buizen. Bij elk profiel worden de voornaamste technische gegevens en beschikbare staalsoorten en afmetingen verstrekt.

Is de keuze gemaakt, dan kunnen de profielen via de bestellijst in de app direct worden besteld bij een van de leveranciers onder de tab ‘staalhandel’. Alle profielen zijn doorgaans uit voorraad leverbaar.

De app is gratis beschikbaar op Google play voor tablets en mobiele telefoons, zoals van Samsung, die ‘draaien’ onder Android (3.0 of hoger). Voor de i-Phone, i-Pad en i-Pod touch onder iOS (7.0 of hoger) ligt de app te wachten in de App Store op kosteloze upload.

Wie (nog) geen mobiel of tablet heeft óf er één bezit die werkt met een ander besturingsprogramma (z.a. Windows Phone) kan terugvallen op het gedrukte zakboekje Wegwijzer Constructiestaal. Deze Bouwen met Staal-publicatie uit 2013 levert bovendien aanvullende ontwerpinformatie, onder meer in de vorm van draagkrachtgrafieken.


Startende studenten doelgroep brandveiligheidscampagne

18 augustus 2014

De Nederlandse brandweer is gestart met een grootscheepse campagne om vooral de verse lichting eerstejaarsstudenten te wijzen op het belang van brandpreventie. Net als voorgaande jaren verzorgt de brandweer in vele studentensteden tijdens de introductieweken voorlichting over brandveilig wonen op kamers. De studenten worden onder meer ingelicht over belang, werking en omgang met rookmelders, brandblussers en vluchtplannen.

De noodzaak voor de campagne wordt onderstreept door het rapport Brandveiligheid studentenhuisvesting 2013, begin dit jaar gepubliceerd door de Inspectie voor Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het rapport beschrijft de zorgelijke toestand van de brandveiligheid in studentenhuizen. Zo bleek bij 33 van de 91 bezochte locaties de verplichte rookmelder op de kamers te ontbreken. En bij 23 van de 91 maakte de elektrische installatie een ondeugdelijke indruk. De inspectie trof onder meer open zekeringkasten, ongeïsoleerde draden, kapotte stekkers en een wirwar aan verlengsnoeren aan. Uiteindelijk voldeden slechts 9 studentenhuizen (10% van het totaal) aan alle brandveiligheidseisen.

Alle geïnspecteerde locaties zijn van particuliere verhuurders. Zij zijn (uiteraard) primair verantwoordelijk voor de brandveiligheid in hun panden. Maar de studenten kunnen ook zelf hun positieve bijdragen leveren, bijvoorbeeld door (simpelweg) vluchtwegen vrij te houden, geen wasgoed bij de kachel te drogen en geen driewegstekkers te gebruiken.

Studenten vinden de benodigde brandpreventietips op www.brandweer.nl. Daarnaast biedt LSVb, de landelijke studentenvakbond, een handige checklist voor de brandveiligheid van studentenkamers op www.lsvb.nl


Betere brandweerstatistiek op komst

21 juli 2014

Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en informatiespecialisten van de brandweer gaan informatie uit het GMS (Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem) verwerken tot de vernieuwde Brandweerstatistiek. In april jongstleden ontving het CBS daartoe een proeflevering van de brandweergegevens uit het GMS. Vanaf 2005 wil het CBS de verbeterde statistiek uitbrengen, zowel op jaarbasis als per kwartaal.

Om zeker te zijn dat alle gegevens over het verslagjaar 2014 voorhanden zijn, worden brandweerkorpsen op de gebruikelijke manier geënqueteerd. De informatiespecialisten van de verschillende veiligheidsregio’s worden mogelijk benaderd met inhoudelijke vragen over de regio-gegevens. De verbeterde statistiek is het beoogde resultaat van het project ‘Verbeteren Brandweerstatistiek’ waarin Brandweer Nederland, de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), het CBS en het ministerie van Veiligheid en Justitie hun krachten hebben gebundeld. Deze vier organisaties zijn vertegenwoordigd in een projectgroep. Deze coördinerende groep krijgt steun van een klankbordgroep waarin het Verbond van Verzekeraars, NIFV en Veiligheidsberaad participeren.

Het project ging in april 2011 van start en kreeg in oktober 2012 een belangrijke impuls door de aanbevelingen voor gebruik van GMS-data in het rapport van Berenschot ‘Inventarisatie informatiebehoefte brandweerstatistiek'. Het voorstel van de projectgroep om vanuit het GMS brandweergegevens te leveren aan het CBS voor de Brandweerstatistiek kreeg in augustus 2013 instemming van de Raad van Brandweercommandanten (RBC). Begin 2014 volgde de schriftelijke toestemming voor levering van de gegevens. Sinds 1 januari 2014 fungeert het CBS als projectleider en voorzitter van de stuurgroep. De projectgroep heeft aansluiting gezocht bij bestaande registratiesystemen om een kwalitatief goede gegevensset te krijgen. Hierdoor wordt bovendien de administratieve lastendruk voor de brandweer verlicht.


Nieuwe certificatieschema's voor ontruimingsalarminstallaties

7 juli 2014

Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) heeft nieuwe certificatieschema’s voor ontruimingsalarminstallaties gepubliceerd. De schema’s voorzien in de onafhankelijke toetsing van de kwaliteit en betrouwbaarheid van ontruimingsalarminstallaties (OAI’s), in aansluiting op de bestaande normen: NEN 2575, NEN 2654-2 en NEN 2535. NEN 2575 geeft aan waar en hoe een OAI moeten worden aangebracht en hoe en waar de geluidsignalen of gesproken berichten uit de OAI moeten worden gemeten. NEN 2654-2 geeft de eisen voor beheer, controle en onderhoud. NEN 2535 is bestemd voor brandmeldinstallaties, maar is hier van belang omdat in veel gebouwen de OAI met de brandmeldinstallatie is geïntegreerd.
Vanaf 1 oktober kunnen certificatie-instellingen de nieuwe schema’s inzetten, nadat ze daartoe een gebruiksovereenkomst met het CVV zijn aangegaan. Daarna kunnen brandbeveiligingsbedrijven zich door de instellingen laten toetsen aan de eisen in de schema’s. Tót 1 oktober geldt een overgangsperiode, waarin bedrijven zich op de nieuwe certificatiemogelijkheid kunnen voorbereiden.

De schema’s beschrijven hoe certificatie plaatsvindt en aan welke eisen een certificatie-instelling dient te voldoen. De certificatie-instellingen die met de schema’s werken, staan onder toezicht van de Raad voor de Accreditatie. Het CCV heeft in totaal drie schema’s geproduceerd: één voor het ontwerp van de OAI, één voor de installatie en één voor het onderhoud. Deze driedeling verduidelijkt de rolverdeling tussen de opdrachtgever, het ontwerpende OAI-bedrijf, de installateur en het onderhoudsbedrijf. Een allround brandbeveiligingsbedrijf kan zich op meerdere schema’s laten certificeren. De OAI-schema’s zijn verwant aan de schema’s voor certificering van brandmeldinstallaties (BMI), die het CVV al enige tijd geleden heeft uitgebracht. Bedrijven die al BIM-gecertificeerd zijn, kunnen met relatief geringe inspanning ook een OAI-certificatie behalen.

  • De drie certificatieschema’s én infosheets over OAI voor opdrachtgevers en installateurs zijn gratis te downloaden van www.hetcvv.nl


Medicijn tegen vals alarm

26 juni 2014

Nog te vaak rukt de brandweer in ons land uit na een automatische brandmelding zónder dat werkelijk sprake is van brand of een ander incident. Het aantal onnodige uitrukken beloopt ruim 50.000 op jaarbasis. Om dit fenomeen de kop in te drukken, heeft VEBON in samenwerking met Brandweer Nederland en het Verbond van Verzekeraars het protocol ‘Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC’ ontwikkeld. Dit protocol beschrijft wanneer en onder welke voorwaarden een brandmelding, afkomstig van een brandmeldinstallatie, correct is.

De onlangs verschenen editie van het protocol is de herziene versie van de ‘eerste druk’ uit 2012. De inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 vormde de aanleiding voor de publicatie. Vóór Bouwbesluit 2012 kwamen alle meldingen nog direct binnen bij de alarmcentrale van de brandweer (RAC). Met het Bouwbesluit 2012 is doormelding aan het RAC nog uitsluitend verplicht voor gebouwen waarvan de gebruikers minder zelfredzaam zijn, zoals ziekenhuizen en bejaardencentra.

In de praktijk betekent dit dat zo’n 70% van de aansluitingen op RAC’s niet meer nodig zijn. Wie de brandweer toch tijdig ter plaatse wil hebben in geval van brand, kan (vrijwillig) gebruik maken van een Particuliere AlarmCentrale (PAC) met doormelding naar een RAC. Het protocol geeft aan hoe een PAC moet vaststellen of de melding betrouwbaar is en levert hiervoor de beoordelingscriteria. Deze verificatie is en blijft ‘mensenwerk’, maar moderne techniek kan hierbij bijzonder behulpzaam zijn. Technische verificatie van brandalarmen, zo menen de opstellers van het protocol, is nu eenmaal het meest betrouwbaar. Een VEBON-werkgroep gaat zich de komende tijd buigen over de inzet van deze techniek, ter verdere verbetering en aanscherping van het protocol.

  • Het protocol ‘Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC’ – editie februari 2014 – is hier als gratis PDF te downloaden.

Certificaat is géén aflaat

11 juni 2014

Bouwbesluit, normen, (praktijk)richtlijnen, toetsing door bouwtoezicht, inspectie door de brandweer: voor de brandveiligheid van onze gebouwen is al veel geregeld. Om die brandveiligheid nog verder te borgen, is de certificering van bouw- en brandveiligheidsproducten bezig aan een opmars. Een certificaat geeft de afnemer een gerechtvaardigd vertrouwen in de goede, doeltreffende werking van het product. Het certificaat toont de gebruiker dat het product (óf de dienst) doet wat de leverancier belooft. En deze prestaties zijn ook vooraf gecontroleerd door een deskundige, certificerende instelling.

‘Dat betekent echter níet dat met de certificering de brandveiligheid, door bouwkundige en installatietechnische voorzieningen, onder álle omstandigheden is gegarandeerd. Als in een gebouw uitsluitend gecertificeerde onderdelen worden toegepast, wil dat nog niet zeggen dat het gebouw daarmee ook direct voldoet aan de brandveiligheidseisen. Bouwproducten moeten wel op de juiste wijze worden toegepast’, stelt Ralph Hamerlinck in een interview met Brandveilig.com. De brandveiligheidsadviseur van Bouwen met Staal en Adviesbureau Hamerlinck wijst erop dat certificering méér behelst dan het vertrouwen tussen fabrikant en afnemer: ‘Private opdrachtgevers kunnen certificaten verplicht stellen, de overheid kan dat niet. In het Bouwbesluit staat niet dat producten mét certificaten moeten worden toegepast. Kwaliteitsverklaringen die door de minister zijn erkend, geven wel aan dat het product voldoet aan de relevante Bouwbesluit-eisen. Maar dan mag de toetsende instantie aan dat product geen extra eisen stellen.’

Hamerlinck is zeker niet anti-certificering, maar waarschuwt wel voor een te strikte toepassing van de regels in het algemeen. Een meer holistische benadering – uiteraard met kennis van zaken – houdt bijvoorbeeld de weg vrij voor gelijkwaardige oplossingen. CE-markering zou wel eens het medicijn kunnen zijn tegen de diversiteit in certificering. ‘De invoering van CE-markering zorgt voor een omwenteling op het gebied van certificering’, vindt Hamerlinck. ‘Het CE-merkteken en de bijbehorende prestatieverklaring (of ‘conformiteitsverklaring’) maken duidelijk hoe het product voldoet aan uniforme Europese eisen, onder meer op het gebied van brandveiligheid. Dit betekent dat veel nationale productcerficaten niet meer nodig zijn. Hoogstens kunnen voor gespecialiseerde brandveiligheidsproducten aanvullende eisen in een nationaal certificaat worden opgenomen. Maar dat is dan iets tussen producent en afnemer.’

CE-markering is al verplicht voor producten waarvoor een geharmoniseerde Europese product- en beproevingsnormen bestaan. Voor bouwproducten van staal (zoals kolommen, liggers en stabiliteitsverbanden) gaat deze verplichting in op 1 juli a.s. De NEN-EN 1090-1 dient hierbij als geharmoniseerde Europese productnorm.

  • Het gehele interview met Ralph Hamerlinck wordt gepubliceerd in nummer 3 van Brandveilig.com, thema ‘Certificering’. Dit blad verschijnt 24 juni a.s. Houdt de berichtgeving hierover in de gaten op www.vakmedianetshop.nl

Business Intelligence biedt brandweer meerwaarde

23 mei 2014

Business Intelligence draagt bij aan de optimalisatie van beleid en werk van de brandweer. Dat blijkt uit het ‘Position Paper Business Intelligence’ dat Brandweer Nederland onlangs heeft gepresenteerd aan de Raad van Brandweercommandanten.

Business Intelligence (BI) staat voor het methodisch verzamelen en analyseren van gegevens om besluitvormingsprocessen te ondersteunen en zo de prestaties van organisaties te verbeteren. Het verzamelen en analyseren gebeurt volgens de overeengekomen strategie van de organisatie en de bijbehorende interne informatiebehoeften. De informatie die hiermee wordt gegenereerd, is door de inzet van slimme technologie direct en flexibel te gebruiken binnen de werkprocessen. Bij de brandweer dient BI zich aan als een geschikt middel om data, kennis en inzichten die dikwijls verspreid binnen de brandweerorganisatie beschikbaar zijn, voor een ieder gebundeld toegankelijk te maken. De behoefte hieraan groeit, nu de brandweer in Nederland regionaliseert en korpsen groter worden, de professionalisering van de sector doorgaat, de inspectiedruk toeneemt én de samenleving en politiek in ons land steeds nadrukkelijker vraagt om transparantie en verantwoording. BI kan de brandweer specifieke diensten bewijzen bij bijvoorbeeld het leren van incidenten, het samenwerken en doorvoeren van innovaties bij repressief optreden en het verantwoorden van beleid en uitvoering aan gemeentebesturen en ministerie.

BI is voor de brandweer zeker geen volstrekt nieuw fenomeen. Veel veiligheidsregio’s zijn al actief in het systematisch verzamelen, beoordelen en verspreiden van informatie voor sturing en verantwoording. Zoals de informatie over incidenten: aantal meldingen, de daadwerkelijke uitrukken en de personele en materiële inzet daarbij. Vaak wordt deze informatie aangevuld met demografische en sociaal-economische gegevens over de betrokken objecten en mensen (gedupeerden, slachtoffers), waardoor zogeheten risicoprofielen ontstaan. Mede dankzij de voortschrijdende technologie kan BI ervoor zorgen dat de eigen data worden gekoppeld met externe data van bijvoorbeeld CBS, BAG en KvK. Integratie van deze data levert niet alleen verrijkte risicoprofielen op, maar ook nieuwe informatie over bijvoorbeeld prestaties, vakbekwaamheid en fysieke veiligheid bij brandweeroperaties.

Om van BI een succes te maken, is slimmer omgaan met data en samenwerking tussen verschillende regio’s wél van groot belang, menen de samenstellers van de Position Paper. Om die samenwerking te stimuleren en ondersteunen, is op MijnBrandweer een virtuele Business Intelligence Community in het leven geroepen. De leden van deze groep, op dit moment zo’n 120, komen ook enkele keren per jaar fysiek bijeen. ‘De data die in het kader van BI worden vastgelegd, zijn primair bedoeld voor de regio’s zelf’, stelt Mark Luijten. Hij is een van de redacteuren van de Paper en binnen Brandweer Nederland werkzaam als secretaris van de vraagorganisatie informatiemanagement. ‘Momenteel wordt geïnventariseerd wat binnen regio’s al voorhanden is en wat doorontwikkeling verdient. Op grond hiervan wordt een actieplan opgesteld. Daarnaast wordt gewerkt aan standaardisatie van data, gegevensuitwisseling, analysefunctionaliteiten én uniforme definities van (vak)termen en begrippen’, aldus Luijten. ‘De gedachten gaan uit naar een landelijke voorziening, een ‘datawarehouse’, gericht op de eigen bedrijfsvoering (sturen, verantwoorden, vergelijken en leren) maar ook toepasbaar voor risicobeheersing binnen de gehele regio.’

De statische informatie uit BI is niet bruikbaar voor aanbieders van brandveiligheidsproducten. Het is geen marktinformatie. Luijten: ‘BI gaat over gemiddelden en trends. We leggen bijvoorbeeld niet vast in welke gebouwen de brandscheidingen niet voldoen en daardoor meer risico bieden op branddoorslag of brandoverslag. Op basis van grote aantallen incidenten en brandonderzoek kunnen we wel algehele voorspellingen gaan doen, maar niet op individuele cases. De informatie blijft waarschijnlijk voor intern gebruik.’

  • Voor meer informatie over Business Intelligence bij de brandweer en het downloaden van de Position Paper: www.brandweernederland.nl

Stimulans voor woningsprinklers

9 mei 2014

De toepassing van sprinklers in woningen heeft een ferme duw in de rug gekregen door de publicatie – op 1 april jl. – van de NEN 2077 ‘Vaste blusinstallaties - Sprinklerinstallaties voor de woonomgeving - Ontwerp, installatie en onderhoud'. De nieuwe norm levert de eisen en criteria voor woningsprinklers ‘over de gehele levensduur’: ontwerp, aanleg van de installatie en watervoorziening, beproeving van de installatie, beheer en onderhoud in de gebruiksfase én eventuele uitbreiding in de toekomst. De norm is toepasbaar bij alle woningtypen (vrijstaand, geschakeld, appartementengebouwen en flats) en bij woonfuncties in andere gebouwen. De NEN 2077 is te zien als de Nederlandse bewerking van de Scandinavische INSTA-900. De methodiek van de norm komt overeen met die van de twee ontwerprichtlijnen van de Amerikaanse NFPA (National Fire Protection Association): de NFPA 13D voor eengezinswoningen en de NFPA 13R voor woongebouwen tot vijf bouwlagen.

De nieuwe norm geeft gehoor aan de steeds luidere roep binnen veiligheids- en brandweerkringen om op grotere schaal sprinklers in woningen toe te passen. In tegenstelling tot onder meer Engeland en de Verenigde Staten is de woningsprinkler in de Nederlandse woningbouwpraktijk vooralsnog een zeldzaam fenomeen. Zo is de NOVB (Nederlandse Organisatie voor Brandveiligheid) overtuigd van de effectiviteit van de woningsprinkler. ‘De woningsprinklerinstallatie is hét middel om de brandveiligheid van woningen significant te verhogen. Het is vooral zo effectief, omdat de brand direct, in het beginstadium wordt geblust of beheerst. Dat moet ook, omdat de overlevingskansen bij een gemiddelde woningbrand (zónder sprinkler) al binnen 5 minuten vrijwel nihil zijn als gevolg van de rookontwikkeling, hete gassen en flashover. Het aantal slachtoffers door woningbranden zal aanzienlijk afnemen.’, meent de NOVB.

De organisatie pleit voor het verplicht stellen van sprinklers in woningen van senioren en andere verminderd zelfredzamen. ‘Ouderen vormen de risicogroep die zich bovendien snel uitbreidt. We vergrijzen en we blijven, mede gestuurd door overheidsbeleid, langer zelfstandig wonen’. Sinds 2003 is in nieuwbouwwoningen de rookmelder een verplicht item. ‘Dat heeft de brandveiligheid zeker bevorderd. Maar de rookmelder kent ook beperkingen. Soms werken ze niet, kinderen reageren er niet (goed) op. Een woningsprinkler is een veiliger alternatief’, aldus de NOVB.

Dat de sprinkler bij nieuwbouwwoningen technisch en ook financieel haalbaar is, blijkt al uit onderzoek van het NIFV (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid) in 2011. Op de kosten van installatie en gebruik valt bijvoorbeeld te besparen door toepassing van de geschikte sprinklerkop en watervoorziening en afgepast watergebruik. De TU Delft berekende indertijd hoeveel liter water minimaal nodig is om het begin van een ‘standaard’ woningbrand te blussen.

Voor een woningsprinkler zijn geen extra aanpassingen nodig van waterleidingen en leidingwaterinstallatie, mits de momentane watervraag niet groter wordt dan ongeveer 25 l/min. Ligt die vraag tussen 25 en 60 l/min., dan dienen dikwijls de aansluit- en distributieleiding en de watermeteropstelling hierop te worden afgestemd. Boven 60l/min. is wijziging van leidingen en installatie onvermijdelijk. Het aansluiten van sprinklers met stromend water in de leidingen vereist een grotere inhoud van de waterinstallatie. Bij stilstaand water in de leidingen krijgt de meterkast een afzonderlijke groep met controleerbare terugstroombeveiliging. Deze voorziening voorkomt diffusie, stroming door temperatuurverschillen en daarmee zuurstoftransport.

  • In bijgaand interview met Brandveilig.com geven Marc Mergeay van het NEN en John van Lierop van NOVB hun visie op de woningsprinkler.
  • Meer informatie over sprinklerinstallaties vindt u op deze website
  • Voor een preview en bestellen van de NEN 2077: www.nen.nl

Samen werken aan Brandwerende scheidingen

25 april 2014

Na een geslaagde proloog, twee jaar geleden, organiseert de Technische Commissie Brandveiligheid (TC 3) van Bouwen met Staal aankomende 16 mei wederom het seminar ‘Samen werken aan Brandveiligheid’. Ook voor deze tweede editie roept de TC 3 nadrukkelijk de constructeur, de brandveiligheidsadviseur en de brandweerfunctionaris op tot deelname. Immers, in de praktijk van het brandveilig ontwerpen, bouwen en beheren van gebouwen hebben deze drie disciplines al veelvuldig en in belangrijke mate met elkaar van doen. Diezelfde praktijk is er zondermeer bij gebaat als dit drietal – intensiever dan nu al gebeurt – zich gezamenlijk buigt over belangrijke tendensen en vraagstukken over de ‘gebouwde brandveiligheid’ en daarbij een gedeelde visie en een gemeenschappelijke strategie weet te ontwikkelen, zo meent de Technische Commissie. Het seminar Samenwerken aan Brandveiligheid biedt hiervoor het podium via een gevarieerd programma met lezingen, discussies en een live-praktijkproef.

Stond het eerste seminar in het teken van Fire Safety Engineering, 16 mei a.s. draait ’t om brandwerende scheidingen. Wat geldt bij FSE, is evenzeer van toepassing op de brandwerende scheiding: de verhouding tussen inspanning en (adequaat werkend) resultaat is een stuk gunstiger als constructeur, adviseur en brandweerpreventist al vanaf de ontwerpfase als collectief optrekken. Het ontwerpen, bouwen en onderhouden van een doeltreffende brandscheiding is een veelomvattend en vaak complex traject, dat loopt vanaf het bepalen van de wbdbo en eventuele brandwerendheidseisen aan scheidingen tot en met de bouw en eventueel latere wijziging van de brandscheiding, met de juiste producten, materialen en technieken. Of de vereiste brandwerendheid wordt gehaald en in de gebruikfase van het gebouw gegarandeerd blijft, is bovendien afhankelijk van de scheidingsconstructie als geheel; van het samenspel van frames, kozijnen, bekledingen en afwerkingen, afmetingen en bevestigingen. Een onzorgvuldig ontworpen deurblad, een verkeerd gekozen glassoort, een slecht uitgevoerde verbinding of een naderhand foutief doorgevoerde kabel kunnen de brandwerendheid van de scheiding als totaal zó teniet doen. Een goede brandwerende scheiding, zo is wel duidelijk, is eigenlijk niet haalbaar zonder goede samenwerking tussen ontwerper, adviseur en toetser.

  • Het programma en de mogelijkheid tot aanmelden voor gratis deelname vindt u op www.bouwenmetstaal.nl
  • Foto: kantoorgebouw Centraal Justitieel Incassobureau, Leeuwarden (Claus en Kaan Architecten).

Brandwerende-verf tool beleeft primeur op Nationaal Brandveiligheidscongres

16 april 2014

Morgen (donderdag 17 april a.s.) tijdens het Nationaal Brandveiligheidscongres van SBRCURNet in Ede houdt Bouwen met Staal de webtool Brandwerende coatings ten doop. De nieuwe tool is ontwikkeld in opdracht van VVVF (de branchevereniging voor de Nederlandse verf- en drukinktindustrie) en biedt assistentie bij de keuze van brandwerende-coatingproducten voor het beschermen van staalconstructies.

De tool werkt als de bekende reisgids op internet én als de eerder op brandveiligmetstaal.nl gepubliceerde tool puien. Hoe meer keuzeopties u aanklikt in het menu van de coatingtool, des te gerichter is het zoekresultaat. U kunt onder meer selecteren op profieltype, vereiste brandwerendheid, profielfactor, kritieke staaltemperatuur, samenstelling van de coating, toepassingsgebied, applicatiewijze en leverancier. Elk zoekresultaat bestaat uit een korte omschrijving van het product en een link naar de website van de leverancier voor meer informatie. Bij sommige producten vindt u tevens de door de leverancier verstrekte PDF-en van het CE-document en de bijbehorende prestatieverklaring en een productinformatieblad

Alle producten in de database van de tool zijn getest en beoordeeld volgens EN 13381-8 door een daartoe geaccrediteerd instituut.

Op dit moment zijn Aalterpaint, International Paint, PPG Protective & Marine Coatings en Sika Nederland vertegenwoordigd, elk met meerdere producten. Bent u leverancier van brandwerende coating en geïnteresseerden in opname van uw product(en)? Neem dan contact op met Ralph Hamerlinck, e: ralph@bouwenmetstaal.nl.

  • Voor een nadere, persoonlijke kennismaking met de nieuwe tool bent u van harte welkom in stand 3 van Bouwen met Staal op de expo van het Nationaal Brandveiligheidscongres

Innovaties op Nationaal Brandveiligheidscongres

7 april 2014

Donderdag 17 april a.s. is eventcenter CineMec het toneel van het Nationaal Brandveiligheidscongres. Naast het dagvullend congres en de vakexpo (inclusief stand van Bouwen met Staal ter presentatie van deze website) wacht de bezoeker de uitslag van de Innovatieprijs Brandveiligheid 2014. Deze prijs voor vernieuwende concepten, producten en diensten in brandveiligheid wordt dit jaar voor de zesde keer uitgereikt. Ook dit jaar bepalen de bezoekers wie de winnaar wordt. Tijdens het congres kiezen ze hun favoriet uit de drie genomineerden die organisator SBRCURNet vorige week bekend heeft gemaakt. De genomineerden zijn:

CU-LT brandklep op afstand is een gecertificeerde oplossing voor het plaatsen van een brandwerende klep op afstand van de wand. Brandkleppen dienen te worden aangebracht volgens de voorwaarden die vastliggen in de testrapporten. De praktijk is echter dikwijls anders: de installatie gebeurt op de bouwlocatie en maar al te vaak wordt het blad van de klep (onbedoeld) niet precies midden in de wand geplaatst. Om dergelijke onveilige toepassingen te voorkomen, is er nu de CU-LT brandklep op afstand, geschikt voor een brandwerendheid tot 90 minuten.

Flex Tube en Flex Box zijn twee productinnovaties. Beide kabelboxen zijn op elk gewenst moment te openen voor het verwijderen van een bestaande kabel of het doortrekken van een nieuwe. Hierdoor wordt het risico op niet-herstelde doorbrekingen van brandwerende afdichtingen tot het minimum beperkt. Beide producten zijn getest volgens NEN 1366-3 ‘Bepaling van de brandwerendheid van installaties – Deel 3: Afdichtingen voor doorvoeringen’.

Safety Crete staat voor een brandveilige betonvloer, speciaal ontwikkeld voor ruimten waarin (zeer) brandbare vloeistoffen worden geproduceerd, opgeslagen of verladen óf plaatsen waar met deze stoffen wordt gewerkt. Door toepassing van ‘zeer open’ beton (Safety Crete) ontstaat een vlakke vloer met een groot absorberend vermogen. De brandbare vloeistof zakt vrijwel direct weg in het Safety Crete, waardoor uitdamping en daarmee het brandvermogen in de ruimte sterk wordt verminderd.

De vakjury koos de drie kanshebbers uit een breed scala aan inzendingen. De jury bestond uit: Emiel van Wassenaar (VVBA), Arjen de Kort (Vakmedianet, Brandveilig.com), Fred Redeker (voormalig hoofd veiligheidsregio Haaglanden), Leo Oosterveen (BBN) en Barbera Peters (SBRCURnet).
Tijdens het Nationaal Brandveiligheidscongres, voorafgaand aan de publieksstemming, geven de ‘geestelijke vaders’ een korte toelichting op hun genomineerde innovaties.

BBN wijzigt strategie en bestuur

21 maart 2014

De vereniging Brandveilig Bouwen Nederland (BBN) heeft haar strategie 2014-2016 gepresenteerd. Na consultatie van de leden kiest BBN de komende jaren voor sterkere samenwerking met bedrijven en organisaties om zo nog meer kennis over bouwkundige brandveiligheid ‘in de markt te zetten’. ‘BBN werkt nu al intensief samen met adviesbureaus, brandweer, bouw- en woningtoezicht en gebouweigenaren’, stelt voorzitter Joric Witlox, ‘Die samenwerking willen we verder uitbouwen. We willen ons daarbij vooral richten op de eigenaren en met hen sparren over de brandveiligheid. Zij zijn immers verantwoordelijk voor de veiligheid van de mensen in hun gebouw.’

Om de nieuwe strategie in goede banen te leiden, wordt een deel van het bestuur vernieuwd en Leo Oosterveen aangesteld als directeur van BBN. Nu is hij nog ambtelijk secretaris van de vereniging. Witlox: ‘Het bestuur heeft nadrukkelijk een strategische en controlerende rol. Binnen kaders wordt het besturen aan de nieuwe directeur overgelaten.’

Brandveilig Bouwen Nederland is de landelijke vereniging voor bedrijven en (branche)organisaties, actief in productie, toelevering of toepassing van brandwerende materialen en producten, zoals brandwerend glas, brandwerende doorvoeringen en brandwerende coatings. De vereniging telt op dit moment 40 bedrijfsleden. Bekende verenigingsactiviteiten zijn het BBN Congres (dit jaar in november) en het boekje ‘De essentiële bouwkundige controlepunten'.

Demo-woning nieuw instrument bij brandpreventievoorlichting

10 maart 2014

Brandweer Haaglanden gaat een bijzondere demonstratiewoning inzetten bij de voorlichting over brandpreventie aan particulieren. De woning, ontwikkeld door de firma Haagen, zit in een container en simuleert op indringende wijze hoe een brand in huis ontstaat en zich verder ontwikkelt. Zo laat de demo-woning zien hoe snel ‘vlam in de pan’ uitmondt in een fikse keukenbrand die leidt tot veel schade (óf erger). Met de demo-woning heeft De Brandweer Haaglanden er een krachtig middel bijgekregen om de particulier te overtuigen van brandpreventie, passend bij de brandweer-doelstelling: ‘minder slachtoffers, minder schade en een hoger maatschappelijk rendement.’

Aanstaande donderdag (13 maart) neemt de brandweer de demo-woning officieel in gebruik: vanaf 9:30 uur in de brandweerkazerne Rijswijk aan de Burgemeester Elsenlaan 315. Geïnteresseerden zijn van harte welkom.

Herziene richtlijn weert 'koude rook'

27 februari 2014

De ISSO/SBR-publicatie ‘809 Brandveilige doorvoeringen’ uit 2010 ondergaat een grondige update. Publicatie van de herziene uitgave is voorzien in het voorjaar 2014, maar auteur Carolien Boot-Dijkhuis kondigt nu al een belangrijke wijziging aan. De nieuwe editie wordt niet alleen afgepast op het Bouwbesluit 2012, maar haakt ook aan bij de NEN 6075:2011 (incl. C1:2012). Deze relatief nieuwe norm voor het bepalen van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten wordt nog niet door het huidige Bouwbesluit aangewezen. Toch gaat dat naar verwachting in de loop van dit jaar of volgend jaar gebeuren en daarom sluit de nieuwe versie van ‘Brandveilige doorvoeringen’ aan op de norm.

De NEN 6075 heeft in het algemeen tot doel een vluchtroute tijdens brand langer rookvrij te houden en de schade door rook en roet te beperken. In tegenstelling tot de voorgaande versie (uit 2001) maakt de NEN 6075:2011 onderscheid tussen rook van 20 ºC en een bijbehorende rookdoorlatendheid ‘Sa’ en rook van 200 ºC met rookdoorlatendheid ‘S200’. De nieuwe norm streeft ernaar om óók de rook van 20ºC, die ontstaat bij het begin van brand, tegen te gaan. ‘Een rookscheiding die deze ‘koude rook’ weert, faciliteert het rookvrij vluchten’, aldus Carolien Boot-Dijkhuis, ‘En omdat de rook zich meer niet meer verspreidt, wordt bovendien veel roetschade voorkomen.’

Rookscheidingen die conform NEN 6075:2001 zijn ontworpen en uitgevoerd, houden deze koude rook niet altijd tegen. Volgens deze oude norm is een constructie bijvoorbeeld 30 minuten rookwerend, als wordt voldaan aan 20 minuten vlamdichtheid (volgens de standaard-brandkromme). Op grond daarvan worden de brandwerende voorzieningen aangebracht, zoals brandkleppen in ventilatiekanalen. Bij een brand sluit zo’n brandklep pas als een temperatuur van ongeveer 70 ºC is bereikt. Alle rook die voordien al ontstaat, kan zich dan ongestoord door het ventilatiekanaal verspreiden. Volgens de nieuwe versie van de norm moet diezelfde brandklep dichtgaan, zodra rook ontstaat in de ruimte vanwaaruit de rookwerendheid is bepaald. Hiertoe kan de klep worden aangestuurd door een rookmelder. Een brandmeldinstallatie kan meerdere kleppen tegelijk in werking stellen.

De aanstaande editie van ‘Brandveilige doorvoeringen’ gaat de consequenties van de NEN 6075:2011 belichten en verduidelijken welke maatregelen nodig zijn bij de doorvoeringen van kanalen, leidingen en kabels om aan de nieuwe eisen te voldoen. In komende nummers van het vakblad Brandveilig.com zal auteur Carolien Boot-Dijkhuis andere belangrijke aspecten van de gewijzigde richtlijn uitlichten.

  • De publicatie ‘Brandveilige doorvoeringen’ (2010) is nog verkrijgbaar via www.isso.nl
  • Foto: Hellemons Techniek.

FSE grote brandcompartimenten genormaliseerd

18 februari 2014

Het NEN heeft het ontwerp gepubliceerd van NEN 6079 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten, risicobenadering’. Met deze norm krijgt risico-analyse met (eventuele) inzet van fysische brandmodellen haar nadere verankering in de bouwregelgeving als het gaat om grote brandcompartimenten van utiliteits- en industriegebouwen, zowel nieuw als bestaand.

De NEN 6079 biedt een probabilistische methode voor het bepalen van brandbeperking en -beheersing bij compartimenten die groter zijn dan de maxima die het Bouwbesluit voorschrijft (grenswaarden-overschrijdend). Op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel in het Bouwbesluit 2012 (artikel 1.3) is met de nieuwe norm vast te stellen of een groot brandcompartiment voldoet aan de functionele eisen voor het beperken van brandoverslag naar de aangrenzende, al of niet fictieve bebouwing. Daarbij sluit de NEN aan op artikel 2.81/2.87 van het Bouwbesluit.

Het volledig probabilitische karakter van de methode maakt het mogelijk om de diverse bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen (en de effectiviteit daarvan) voor het voorkomen van het ontstaan en de uitbreiding van brand, mee te wegen in het totale brandrisico. Hierin is het beperken van de omvang van een compartiment één van de eventuele opties en niet langer een doel op zich. Dat past ook weer bij bedoeling van de Bouwbesluit-artikelen 2.81/2.87 die aangeven dat compartimentering dient ter ondersteuning van de vluchtveiligheid. Als de vluchtveiligheid gegarandeerd is en de kans op branduitbreiding naar belendende gebouwen is nihil, dan is het opdelen van het gebouw in brandcompartimenten eigenlijk niet nodig.

De NEN 6079 is familie van de NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote compartimenten’, die onlangs eveneens in ontwerp is verschenen. Deze norm levert maatregelpakketten waarmee (onder voorwaarden) grotere brandcompartimenten mogelijk zijn. In de norm zijn de bestaande methoden Beheersbaarheid van Brand 2007 van het ministerie van BiZA en de Handreiking grote brandcompartimenten 2003 van VROM (nu: M&I) samengevoegd, inclusief belangrijke inhoudelijke wijzigingen. De NEN 6060-methode is hiermee in beginsel geen FSE-methode, maar laat in vergelijking met Beheersbaarheid van Brand en de Handreiking wel aanzienlijk meer ruimte aan projectspecifieke brandveiligheidsconcepten en -voorzieningen.
Het commentaar op de ontwerp-NEN 6060 wordt op dit moment verwerkt. Op- en aanmerkingen op het ontwerp van de NEN 6079 zijn tót 17 mei a.s. in te dienen op www.normontwerpen.nen.nl

Handboek ondersteunt toepassing Bouwbesluit 2012

7 februari 2014

Het bekende Praktijkboek Bouwbesluit 2012 heeft een opvolger: Handboek Bouwbesluit 2013. Deze nieuwe BIM Media-uitgave zet – in tegenstelling tot de voorgaande editie 2012 – de verschillen uiteen tussen het oude Bouwbesluit 2003 en bijbehorend Gebruiksbesluit en het huidige Bouwbesluit 2012. Voor de correcte toepassing van het Bouwbesluit 2012 biedt het boek duidelijke richtsnoeren, vergezeld van aandachtspunten om misverstanden of onjuiste interpretaties te voorkomen. Per afdeling van het Bouwbesluit worden de eisen aangegeven voor nieuwbouw, tijdelijke bouw, verbouw en bestaande bouw en de onderlinge verschillen toegelicht. De Bouwbesluit-voorschriften worden verhelderd met in totaal 95 tabellen en 197 afbeeldingen. Ook voorbeelden van gelijkwaardige oplossingen ontbreken niet.

Dit informatie-aanbod maakt de publicatie tot een praktische houvast bij ontwerp, plantoetsing, uitvoering en controle van de vereiste voorzieningen, onder meer op het gebied van brandveiligheid. Een aanrader voor de minder ervaren Bouwbesluit-gebruiker én voor de doorgewinterde toepasser.

Auteur van het boek is dr.ir. M. van Overveld (Van Overveld Bouwbesluit Advies). Hij is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het Bouwbesluit 2012.

  • Het Handboek Bouwbesluit 2013 is te bestellen via: www.bimmedia.nl De uitgave kost € 89,95, incl. btw.

MACS+-tool brandwerendheid staalplaat-betonvloeren is live

21 januari 2014

Voor het (constructief) ontwerpen van staalplaat-betonvloeren op stalen liggers is nu nieuwe, gratis software beschikbaar bij MACS+. De tool maakt deel uit van een (kosteloos) publicatiepakket dat tekst en uitleg geeft bij een nieuwe ontwerpmethode voor het bepalen van de brandwerendheid van de vloer. De methode – ontwikkeld door SCI, CTICM en Arcelor Mittal, in samenwerking met Bouwen met Staal – helpt de constructeur om snel de brandwerendheid van de vloerconstructie vast te stellen. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt voor welke vloeronderdelen eventueel brandwerende bescherming nodig is, in de vorm van brandwerende verf, beplating of spuitmortel. In veel gevallen kan brandwerende bekleding voor een goed deel van de vloer achterwege kan blijven, met alle kostenbesparingen vandien.

Dat komt omdat in de methode de brandwerendheid van de gehéle vloerconstructie wordt beoordeeld, als samenstel van elementen die tijdens brand op elkaar ‘reageren’. Hierbij wordt rekening gehouden met membraanwerking, een veelvoorkomend fenomeen bij brand dat níet aan het licht komt als de vloerelementen afzonderlijk worden beschouwd. Bij brand gaat een opgewarmde stalen ligger aan de vloer hangen, waarna de vloer de krachten herverdeelt over naburige liggers.

In de ontwerpmethode wordt de vloer onderverdeeld in rechthoekige vakken, omsloten door (primaire) liggers. De (secundaire) liggers binnen het vak overspannen uitsluitend in één richting. De liggers op de randen van de vakken zullen doorgaans brandwerende bescherming nodig hebben. De liggers ín de vakken kunnen veelal, geheel of gedeeltelijk, onbeschermd blijven, zolang de vloerzone als totaal maar voldoende brandwerend is. Bij brand mogen de secundaire liggers hun draagkracht verliezen, de liggers op de randen van de vakken én de membraanwerking van de vloer nemen de (toch al gereduceerde) belasting bij brand volledig over.

De methode is geschikt voor ‘lage’ staalplaat-betonvloeren met een plaathoogte van maximaal 80 mm, een enkel wapeningsnet en een dek van 60–130 mm normaal- of lichtbeton. De liggers zijn standaard H- of I-profielen, al of niet voorzien van sparingen in de lijven (raat- en cellenliggers). De liggers zijn bij voorkeur via deuvels gekoppeld met de vloer (staal-betonligger). Naast het standaard-brandmodel is een natuurlijk-brandmodel opgenomen, beide in de vorm van temperatuur-tijdkrommen.

  • De MACS+-tool is gratis te downloaden van www.macsfire.eu/nl. Bij de software gaat een serie, eveneens gratis documenten waaronder een achtergronddocument, een uitvoerige ontwerphandleiding en rekenvoorbeelden.
  • Meer informatie over de methode vindt u op www.brandveiligmetstaal.nl/ontwerptool_macs.
  • Foto: ArcelorMittal.

Nationaal Brandveiligheidscongres belicht brandveilig hergebruik

7 januari 2014

Voor u verse agenda 2014: donderdag 17 april a.s. organiseert SBRCURnet voor de achtste achtereenvolgende keer het Nationaal Brandveiligheidcongres, net als vorig jaar in infotainmentcenter CineMec in Ede. De komende congreseditie is gewijd aan brandveiligheid bij renovatie en transformatie van bestaande gebouwen, al of niet voor een nieuwe functie.

Het plenaire congresprogramma belooft voordrachten van onder meer Raphaël Gallis (TNO) over de rol van de BHV bij (gewijzigd) gebruik van bestaande gebouwen. Hoe waarborg je, mede via de BHV-organisatie, de veiligheid van de gebruikers, welke scenario’s zijn hiervoor geschikt en wie draagt de verantwoordelijkheid? Namens Bouwen met Staal laat Ralph Hamerlinck aan de hand van praktijkvoorbeelden weten welke bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen bij verbouwingen strikt genomen vereist zijn volgens de huidige regelgeving. En met welke mix van maatregelen een gelijkwaardig of zelfs hoger veiligheidsniveau haalbaar is, op basis van risico-analyse.

Het congres wordt halverwege de ochtend onderbroken voor een vijftal parallelsessies. Als bezoeker kunt u kiezen uit: ‘BHV vanuit Arbo en bouwwetgeving’, ‘Brandscan’, ‘Parkeergarages onder tot woningen getransformeerde kantoorgebouwen’, ‘Optoppen bestaande bouw’ en ‘Veilig gebruik versus zorgplicht’. Tijdens de pauzes, lunch en borrel kunt u terecht op het Informatieplein voor de nieuwste producten en diensten van bedrijven en organisaties. In de stand van Bouwen met Staal wordt u geïnformeerd over het BrandInformatieSysteem, www.brandveiligmetstaal.nl.

  • Meer informatie, het programma en de aanmeldingsoptie vindt u op www.sbrcurnet.nl
  • Foto's: renovatie en uitbreiding Stedelijk Museum, Amsterdam (Benthem Crouwel Architecten, foto's: John Lewis Marshall).

2013: meeste miljoenenbranden

23 december 2013

Het jaar is nog niet voorbij en daarmee de cijfers over het vierde kwartaal nog niet voorhanden, maar nu al staat vast dat 2013 de boeken ingaat als het jaar met een record aantal miljoenenbranden. Over de eerste drie kwartalen van het jaar registreerde het NIVRE (Nederlands Instituut Van Register Experts) 109 grote bedrijfsbranden met een schadebedrag van één miljoen Euro of meer. Dit is het grootste aantal grote bedrijfsbranden sinds de start van de NIVRE-registratie in 1998. Het totale schadebedrag bedraagt ruim een half miljard euro. De grootste bijdragen komen van een brand bij een kunststofbedrijf in Zevenaar in het derde kwartaal (schade: € 65 miljoen), bij een afvalverwerkingsbedrijf in Alkmaar in juli (€ 57 miljoen) en een maand later bij een afvalverwerker in Leiderdorp (€ 14,5 miljoen). Het totale schadebedrag is overigens geen record. Dat staat met 571 miljoen Euro op naam van 2000, het jaar van de vuurwerkramp in Enschede.

Zeker één op de tien bedrijfsbranden ontstaat tijdens brandgevaarlijke werkzaamheden, constateert het Verbond van Verzekeraars. Om ondernemers bewust te maken van dit soort risico’s heeft het Verbond samen met Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland onlangs de website checklistbrand.nl gelanceerd.

Met ingang van 2014 willen verzekeraars de gevolgschade vaker gaan verhalen op de veroorzaker van de brand, stelt het Verbond naar aanleiding van de schadecijfers. Het betreft dan vooral risicovolle bedrijven, die gevaarlijke stoffen opslaan, distribueren of gebruiken en daarbij de veiligheidsvoorschriften (voortdurend) overtreden of (aanhoudend) uiterst onzorgvuldig te werk gaan.

Praktijk steunt onderwijs en onderzoek FSE

8 december 2013

Eind vorige maand is FSE wo2 opgericht. FSE wo2 staat voor Stichting Ondersteuning Wetenschappelijk Onderwijs & Onderzoek Fire Safety Engineering en gaat financiële steun bieden aan de onderwijs- en onderzoekswerkzaamheden op het gebied van FSE aan de TU Eindhoven. Daartoe gaat de stichting jaarlijks vouchers verstrekken. Aan de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven krijgt brandveiligheid aandacht in samenhang met constructieve veiligheid, duurzaamheid, gezondheid en bruikbaarheid. Sinds september 2012 is Ruud van Herpen (Nieman) als fellow FSE actief aan de universiteit. De Fellow verzorgt de verbinding van het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs met de ingenieurspraktijk.

In de stichting FSE wo2 participeren Ministerie van BZK, NVPU, Stybenex, Rockwool, Promat, Hoefnagels Branddeuren, Multifire, Peutz, VVBA, NOVB en Bouwen met Staal. De stichting stelt zich tot doel om het wetenschappelijk onderwijs in FSE te bevorderen en daarbij de integratie van FSE in bouwkundige, bouwfysische en installatietechnische vakgebieden te stimuleren. Daarnaast wil FSE wo2 het wetenschappelijk, maatschappelijk relevante FSE-onderzoek ondersteunen. Ook wordt gestreefd naar kennisoverdracht waarbij de wisselwerking tussen het onderwijs en de praktijk centraal staat. Dat houdt in dat kennis uit de praktijk wordt benut in het onderwijs en kennis uit het onderwijs toepassing vindt in de praktijk.

Voor 2014 heeft de stichting drie onderzoekslijnen vastgesteld: Duurzame brandveiligheid door bouwtechnische, installatietechnische en organisatorische voorzieningen, Risicodoelen voor brandveiligheid: kwantificering en relatie met prescriptieve regels en Rekentools en realiteit voor brandsimulaties.

  • Foto: ondertekening van de statuten van de Stichting FSE wo2, 27 november jl. Van links naar rechts, boven: Harry Nieman, Ruud van Herpen, Adriaan Rothfusz (notaris), onder: het stichtingsbestuur: penningmeester Louis Cleef, voorzitter Rob Hartgerink en secretaris Roy Weghorst.

Avondseminar in het teken van brandwerende verf en brandcompartimenten

29 november 2013

Voor architecten, constructeurs en medewerkers van bouwtoezicht en brandweer organiseert Bouwen met Staal aankomende woensdag 4 december in het Rotterdamse Congrescentrum Engels het avondseminar 'Brandveilig bouwen met staal'. Brandcompartimenten en brandwerende verf zijn de seminarthema's. Daar is ook alle actuele aanleiding toe.

Brandwerende verf (opschuimende coating) vindt steeds meer de weg naar de (staal)bouwpraktijk. Maar de juiste keuze van het verfsysteem, de applicatie en de beoordeling van het eindresultaat blijven belangrijke aandachtspunten voor de ontwerper, bouwer en toetser. De keuze van brandwerende-verfproducten wordt in toenemende mate ondersteund via vrijwillige CE-markering door leveranciers. Zodra een geharmoniseerde Europese norm voor brandwerende verf beschikbaar is (naar verwachting over twee jaar), is CE-markering met prestatieverklaring verplicht, volgens de nieuwe Verordening Bouwproducten die sinds 1 juli 2013 binnen de EG van kracht is.

Ook in brandcompartimentering staan de ontwikkelingen niet stil. Zo zijn voor het compartimenteren van hallen en bedrijfsgebouwen (‘industriefuncties’) de regels in het Bouwbesluit 2012 versoepeld. Vaak zijn grotere compartimenten toegestaan zonder (hogere) wbdbo-eisen. Ook verschijnt begin volgend jaar de NEN 6060. Deze nieuwe bepalingsmethode laat (onder voorwaarden) ruimere compartimenten en langere vluchtafstanden toelaat dan tot nu toe gebruikelijk.

De voordrachten over brandcompartimentering worden verzorgd door Ralph Hamerlinck (brandveiligheidsadviseur bij Bouwen met Staal en Adviesbureau Hamerlinck) en Klaas Jan de Boer (brandveiligheidsadviseur bij Oranjewoud en rapporteur NEN 6060). Tim van der Waart van Gulik (projectleider Fire Engineering bij Efectis Nederland) en Niels Oudenaarden (projectmanager bij Oskomera) nemen brandwerende verf voor hun rekening. Elk lezingenpaar wordt afgesloten met een plenaire discussie, onder aanvoering van seminarvoorzitter Rob Stark (IMd Raadgevende Ingenieurs en voorzitter TC3 Brandveiligheid).

  • Deelname aan het seminar is gratis. Het aanmeldingsformulier en programma vindt u op www.bouwenmetstaal.nl
  • Foto’s: li., foto: Bonke & Zn; re.: hal Venco Campus, Eersel (Van Lierop Cuypers Spierings architecten, foto: Thermoflor).

Grove nalatigheid? Geen uitkering bij brand

18 november 2013

Per 1 januari 2014 gaan verzekeraars de schade als gevolg van brand vaker verhalen op de veroorzaker van de brand. Het nieuwe beleid richt zich vooral op risicovolle bedrijven, zoals in de chemische industrie of in opslag van gevaarlijke stoffen, die de veiligheidsvoorschriften overtreden of uiterst onzorgvuldig te werk gaan. Dat stelt het Verbond van Verzekeraars, als reactie op de stijging van het aantal grote bedrijfsbranden. In de eerste helft van 2013 noteerde het verbond 75 branden met een schade van meer dan 1 miljoen Euro. Het totale schadebedrag door bedrijfsbranden over die periode bedroeg bijna 300 miljoen Euro. Verzekeraars hebben wettelijk al het recht om de schade te verhalen, maar in de praktijk gebeurt dit tot nu toe slechts sporadisch. Dat blijft zo voor particulieren, bij een woningbrand die is veroorzaakt door nalatigheid. Ook een foutje van een individuele werknemer wordt door de vingers gezien. Maar als een inspectiedienst vaststelt dat een risicovol bedrijf nalatig is geweest en de brand aan zichzelf heeft te wijten, zal de verzekeraar hard optreden.

  • Foto: Tom Louter.

De integrale aanpak

11 november 2013

Of ’t nu gaat om bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen, ze zullen pas écht doeltreffend en economisch zijn als ze deel uit maken van een integrale visie en aanpak van de brandveiligheid; al vanaf het voorlopig ontwerp en (’t liefst) in constructief overleg met de toetsende instanties. Vanuit die overtuiging organiseert PAO (Stichting PostAcademisch Onderwijs) op 21 en 22 november a.s. de cursus ‘Brand: een integrale aanpak’.

De cursus richt zich op díe disciplines die in de ontwerpfase direct met het vraagstuk ‘brand’ van doen hebben: architecten, constructeurs, brandveiligheidsadviseurs en medewerkers bij bouwtoezicht en brandweer. Zij krijgen praktische kennis aangereikt over een breed scala aan onderwerpen die belangrijk zijn voor ‘het brandveilig ontwerp’, zoals constructieve eisen en oplossingen (door Ralph Hamerlinck, Adviesbureau Hamerlinck), de invloed van de brandweer op het (brandveilig) ontwerp (door René Schage, Brandweer Twente) en de methode Beheersbaarheid van Brand (door Klaas Jan de Boer, SAVE/Oranjewoud).

Het hot item van de tweede cursusdag is Fire Safety Engineering (FSE). Hierbij komen onder meer aan bod: natuurlijke brandconcepten (Ruud van Herpen, Nieman), FSE bij veilig vluchten en rookbeheersing (Björn Peters, DGMR) en FSE van brandoverslag (Jur van Oele, Peutz).

  • Foto: NEN.

Norm biedt uitzicht op grotere brandcompartimenten

24 oktober 2013

Begin deze maand is het ontwerp van de NEN 6060 ‘Brandveiligheid van grote brandcompartimenten’ wereldkundig gemaakt. De nieuwe norm levert in het kader van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 enkele maatregelpakketten die – onder voorwaarden – brandcompartimenten mogelijk maken die groter zijn dan de wettelijke maxima. Standaard mag een brandcompartiment volgens het Bouwbesluit 2012 niet groter zijn dan 1.000 m2. Voor industriefuncties ligt de grens bij 2.500 m2 (voor nieuwbouw) en 3.000 m2 (voor bestaande bouw).

Bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw kan toepassing van de nieuwe NEN 6060 leiden tot grotere brandcompartimenten, terwijl dan nog steeds wordt voldaan aan de functionele eisen voor vluchten bij brand (vluchtwegen) en het beperken van uitbreiding van brand (wbdbo). De NEN 6060 is goeddeels een directe integratie van het bestaande reken- en beslismodel Beheersbaarheid van Brand uit 2007 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Handreiking grote brandcompartimenten van VROM uit 2007. Toch zijn in de norm – vooral vergeleken met de methode Beheersbaarheid van Brand – enkele belangrijke verbeteringen doorgevoerd.

De norm is óók toepasbaar bij bestaande bouw en staat hierbij een hogere vuurlast toe. Dit verruimt de indelings-en gebruiksopties van bestaande gebouwen. In de bepaling van de weerstand tegen brandoverslag (wbo) wordt nu meer waarde toegekend aan afstand tussen gebouwen. In veel gevallen is een kleinere afstand tussen gebouwen en tussen een gebouw en de perceelgrens mogelijk zónder de gevel(s) brandwerend uit te voeren. De ‘winst’ op dit aspect kan het grootst uitvallen bij hallen van 2.500 m2 of iets meer, waarbij de vuurbelasting kleiner of gelijk is aan 60 kg vurenhout per m2. Als het verschil tussen de gemiddelde en de maatgevende vuurbelasting te groot is, dan geldt de verhoogde WBDBO-eis uitsluitend voor de geveldelen in de buurt van de concentratie van vuurlast.

In de NEN 6060 zijn de maatregelpakketten voor veilig vluchten uit de Handreiking grote brandcompartimenten overgenomen. Toegevoegd is een algemeen maatregelpakket geboden waarin rekenmethoden voor rook-vultijd en ontruimingstijd zijn gecombineerd.

Op het ontwerp van de norm is commentaar in te dienen tót 1 januari 2014.

  • Foto: bedrijfsgebouw Pas Reform, Doetinchem (Fas Keuzenkamp).

Nieuwe norm voor 'stand-alone' stilalarmcentrales

11 oktober 2013

Begin deze maand heeft NEN de definitieve versie uitgebracht van NEN 2575-4 ‘Brandveiligheid van gebouwen - Ontruimingsalarminstallaties - Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen – deel 4: Stilalarminstallatie, draadloos’. Dit nieuwe vierde deel geeft, in combinatie met het algemene deel 1 van de norm, de eisen voor draadloze stilalarminstallaties in ziekenhuizen, verpleeghuizen, cellencomplexen en andere gebouwen waarin zich mensen bevinden die extra hulp nodig hebben tijdens vluchten bij brand. De stilalarminstallatie waarschuwt een vooraf geselecteerde groep personen, bijvoorbeeld de facilitymanager of bedrijfhulpverleners, om de ontruiming van het pand in gang te zetten.

De NEN 2575-4 is uitsluitend van toepassing op zelfstandig werkende installaties: de apparatuur en transmissiewegen zijn níet gekoppeld met andere systemen. Naast de prestatie-eis voor de installatie als geheel bevat de norm de voorschriften voor de transmissiewegen en de apparatuur én een projectierichtlijn. In de (normatieve) bijlagen zijn een ‘standaard’ PvE en eisen voor inbedrijfstelling, oplevering en overdracht opgenomen. De bijlage ‘berekeningsmethodiek systeembeschikbaarheid ontruimingsinstallatie’ heeft een informatieve status.

Het nieuwe normdeel vervangt gedeelten van NEN 2575:2004, NEN 2575:2004/C1:2006 en NEN 2575:2009 Ontwerp. Naast deel 1 ‘Algemeen’ en deel 4 ‘Stilalarminstallatie, draadloos’ telt NEN 2575 nog drie andere delen. De delen 2 en 3 behandelen ‘Luidalarminstallatie type A’, resp. ‘Luidalarminstallatie type B’. Deel 5 betreft ‘Stilalarminstallaties met attentiepanelen’.

  • Voor inhoudelijke informatie: ing. Marc Mergeay, consultant Bouw & Installaties, telefoon (015) 2 690 367 of e-mail marc.mergeay@nen.nl.
  • Info en bestellen: www.nen.nl
  • Foto: Stil Alarmcentrale bv, Vught.

Niet alle blusdekens geschikt voor 'vlam-in-de-pan'

19 september 2013

Lang niet alle blusdekens zijn geschikt om een brand in de keuken te doven, waarschuwt de Nederlandse Brandwonden Stichting (NBS). De keukenbrand (brand van olie of vet, ‘vlam-in-de-pan’) is volgens de stichting een van de meest voorkomende branden in de privésfeer. Alleen blusdekens die zijn voorzien van de code EN:1869, zijn in staat álle typen branden, inclusief olie- of vetbranden effectief en veilig te doven. Dekens zónder die code zijn bestemd voor bijvoorbeeld brandend papier of kleding. De code is onafhankelijk van het merk van de deken en behoort op de verpakking van het product te zijn aangebracht. René Hagen, lector Brandpreventie en voorzitter van de begeleidingscommissie Brandpreventie van de NBS, vindt het onverantwoord dat er blusdekens zonder die code te koop zijn. ‘De Brandwonden Stichting roept al jaren dat een blusdeken hét middel is om vlam-in-de-pan te doven. Een goed middel om brandwonden én branduitbreiding in de woning te voorkomen. Dus als mensen een blusdeken kopen om zo hun huis brandveiliger te maken, dan willen wij wel dat zij een degelijk product hebben. Anders is sprake van schijnveiligheid.’

De komende tijd brengen medewerkers van de NBS in kaart welke bedrijven deze blusdekens verkopen. Daarnaast wordt nagegaan hoe de consumentenvoorlichting beter kan. Het euvel werd bij toeval ontdekt en aanhangig gemaakt door Anne-Pauline Jacobs, medewerkster van Brandweer Nijmegen. Ter voorbereiding van een brandveiligheidsdemonstratie bij een bouwmarkt, controleerde zij een blusdeken voor het doven van vlam-in-de-pan. In de proefopstelling brandde de deken door, in plaats van de brand te doven. Zou dit een incident, een productiefout zijn? Na onderzoek ontdekte ze dat meerdere blusdekens niet afdoende werken. Anne-Pauline Jacobs: ‘Er bleken twee verschillende soorten blusdekens te worden verkocht: één voor alle branden en één die niet voor olie- en vetbranden dient maar uitsluitend voor ‘lichte brandjes. Als brandweervrouw vraag je je dan direct af of consumenten hiervan op de hoogte zijn.’

Reageren

Heeft u vragen, opmerkingen óf een wetenswaardig bericht voor deze pagina? Stuur uw mail naar: brand@bouwenmetstaal.nl

Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey